Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Feiten die tot uitlevering kunnen leiden

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake uitlevering· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2023

1. In overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag wordt uitlevering toegestaan wanneer: het verzoek tot uitlevering wordt gedaan met het oog op strafvervolging en het feit krachtens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld met een straf van ten minste één jaar; het verzoek tot uitlevering is gedaan met het oog op de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis wegens een feit dat krachtens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld en, op het moment waarop het verzoek wordt ingediend, het gedeelte van het vonnis dat nog niet is ondergaan ten minste zes maanden bedraagt. 2. Bij de vaststelling of een strafbaar feit volgens de wetgeving van beide Partijen strafbaar is gesteld, doet het niet ter zake of: in de wetgeving van de Partijen het handelen of nalaten dat het strafbaar feit vormt binnen dezelfde categorie strafbare feiten valt of met dezelfde termen wordt omschreven; ingevolge de wetgeving van de Partijen de bestanddelen van het strafbaar feit verschillen, met dien verstande dat het geheel van het handelen of nalaten zoals voorgelegd door de verzoekende Partij in aanmerking wordt genomen. 3. Indien het verzoek tot uitlevering verschillende afzonderlijke strafbare feiten bevat die elk strafbaar zijn ingevolge de wetgeving van de Partijen, maar waarvan er een aantal niet voldoen aan de voorwaarden vervat in het eerste lid van dit artikel, kan de aangezochte Partij uitlevering toestaan wegens de laatstgenoemde strafbare feiten mits de persoon uitgeleverd wordt wegens ten minste een ander feit dat tot uitlevering kan leiden. 4. Ten behoeve van het eerste lid van dit artikel, wordt uitlevering eveneens toegestaan indien het strafbaar feit waarvoor om uitlevering is gevraagd gepleegd is buiten het grondgebied van de verzoekende Partij, op voorwaarde dat de wetgeving van de aangezochte Partij de vervolging toestaat van een strafbaar feit van soortgelijke aard dat buiten haar grondgebied is gepleegd.

Rechtspraak bij dit artikel