Naar hoofdinhoud
1. De Zendstaat heeft voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken over Personeel van de Zendstaat met betrekking tot de volgende vergrijpen die plaatsvinden tijdens een bezoek ten behoeve van Militaire Activiteiten: vergrijpen die voortvloeien uit een handelen of nalaten te handelen in het kader van de uitoefening van officiële taken; of vergrijpen die uitsluitend gericht zijn tegen de eigendommen of veiligheid van de Zendstaat; of vergrijpen die uitsluitend gericht zijn tegen de persoon of eigendommen van een ander lid van het Personeel van de Zendstaat. Wanneer de Zendstaat besluit gebruik te maken van zijn voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in overeenstemming met dit lid, onthoudt de Ontvangende Staat zich van het uitoefenen van rechtsmacht in strafzaken over het Personeel van de Zendstaat dat betrokken is bij deze vergrijpen. 2. In het geval dat de Zendstaat besluit geen gebruik te maken van zijn voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken zoals voorzien in het eerste lid van dit artikel, dan stelt de Zendstaat de Ontvangende Staat zo spoedig mogelijk, en schriftelijk, in kennis van zijn intentie om af te zien van zijn voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht in strafzaken. In een dergelijk geval kan de Ontvangende Staat zijn rechtsmacht in strafzaken uitoefenen. 3. De Ontvangende Staat heeft uitsluitend voorrang bij het uitoefenen van rechtsmacht in strafzaken over Personeel van de Zendstaat dat zich bevindt op het grondgebied van de Ontvangende Staat, met betrekking tot vergrijpen die voortvloeien uit handelen of nalaten te handelen die voldoen aan alle volgende voorwaarden: het vergrijp is begaan door Personeel van de Zendstaat op het grondgebied van de Ontvangende Staat of aan boord van een vaartuig of luchtvaartuig dat in de Ontvangende Staat is geregistreerd; en het is begaan gedurende een bezoek in het kader van Militaire Activiteiten; en het valt niet onder de toepassing van het eerste lid van dit artikel. 4. In het geval dat de Ontvangende Staat besluit geen gebruik te maken van zijn voorrang bij het uitoefenen van rechtsmacht in strafzaken zoals voorzien in het bovenstaande derde lid, dan stelt de Ontvangende Staat de Zendstaat zo spoedig mogelijk, en schriftelijk, in kennis van zijn voornemen om af te zien van zijn voorrang bij het uitoefenen van rechtsmacht. In een dergelijk geval kan de Zendstaat zijn rechtsmacht in strafzaken uitoefenen. De autoriteiten van de Ontvangende Staat, die voorrang bij het uitoefenen van rechtsmacht heeft, nemen verzoeken van de autoriteiten van de Zendstaat om af te zien van de uitoefening van dat recht in zaken waarin de Zendstaat zulks van bijzonder belang acht, zorgvuldig in overweging. 5. De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar wederzijdse bijstand met betrekking tot zaken die verband houden met dit artikel, in het bijzonder bij de uitvoering van onderzoeken en het vergaren van bewijsmateriaal, in overeenstemming met toepasselijke wet- en regelgeving, en relevante verdragen tussen de Verdragsluitende Partijen. 6. Strafvonnissen worden ten uitvoer gelegd binnen het strafsysteem van de Zendstaat, in overeenstemming met de bepalingen van het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, getekend te Straatsburg op 21 maart 1983.

Rechtspraak bij dit artikel