Naar hoofdinhoud
1. Indien een gezinslid van een lid van de diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post betaalde werkzaamheden wenst te verrichten uit hoofde van dit Verdrag in de ontvangende staat, stuurt de ambassade van de zendstaat, namens het gezinslid, een schriftelijk verzoek om toestemming aan de Directie Protocol van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de ontvangende staat. 2. In het in het eerste lid van dit artikel bedoelde verzoek wordt de volledige identiteit van het desbetreffende gezinslid vastgesteld. Het verzoek gaat vergezeld van een korte beschrijving van de aard van de betaalde werkzaamheden die het gezinslid wenst te verrichten. 3. Nadat is vastgesteld dat het gezinslid voldoet aan de vereisten uit hoofde van dit Verdrag en dat de van toepassing zijnde procedure is gevolgd, stelt de Directie Protocol van het ministerie van Buitenlandse Zaken van de ontvangende staat de ambassade van de zendstaat zo spoedig mogelijk officieel in kennis van het feit of het gezinslid al dan niet betaalde werkzaamheden kan verrichten op het grondgebied van de ontvangende staat. 4. Gezinsleden zijn niet vrijgesteld van de verplichting te voldoen aan bijzondere kwalificaties die van toepassing zijn op het verrichten van bepaalde typen werkzaamheden. De bepalingen van dit Verdrag mogen door de zendstaat niet zodanig worden uitgelegd dat hieraan het recht wordt ontleend een bepaald beroep uit te oefenen. Voor die typen werkzaamheden waarvoor bijzondere kwalificaties vereist zijn, dient het afhankelijke gezinslid te voldoen aan de voorschriften ter zake van de uitoefening van deze werkzaamheden in de ontvangende staat. 5. Gezinsleden mogen geen betaalde werkzaamheden verrichten in functies die op grond van de nationale wetgeving uitsluitend zijn voorbehouden aan onderdanen van de ontvangende staat. 6. In Nederland wordt de toestemming betaalde werkzaamheden te verrichten afgedrukt op de identiteitskaart van het gezinslid. 7. De ontvangende staat kan de toestemming om betaalde werkzaamheden te verrichten weigeren of intrekken indien het gezinslid op enig moment de wetten omtrent immigratie of naturalisatie of de belastingwetten van de ontvangende staat schendt.

Rechtspraak bij dit artikel