Naar hoofdinhoud
1. Onverminderd de overgangsbepalingen in bijlage III bij deze Overeenkomst handelen de partijen overeenkomstig hun respectieve wetgeving betreffende de eisen en normen inzake luchtvaartveiligheid, zoals gespecificeerd in bijlage I, deel C, bij deze Overeenkomst volgens de in dit artikel uiteengezette voorwaarden. 2. Oekraïne blijft de functies en taken van het land van ontwerp, vervaardiging, registratie en exploitatie uitvoeren, zoals bepaald in het Verdrag, maar zal ook de in lid 1 van dit artikel bedoelde eisen en normen in zijn wetgeving opnemen en effectief ten uitvoer leggen, overeenkomstig de in bijlage III bij deze Overeenkomst vastgestelde overgangsregelingen. 3. De partijen werken samen om te zorgen voor de effectieve tenuitvoerlegging door Oekraïne van de wetgeving die is vastgesteld teneinde de eisen en normen als bedoeld in lid 1 van dit artikel in de Oekraïense wetgeving op te nemen. Daartoe wordt Oekraïne vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst als waarnemer betrokken bij de werkzaamheden van EASA, zoals bepaald in bijlage VI bij deze Overeenkomst. 4. Om de exploitatie van de bij artikel 16, lid 1, punten a), b), c) en d), van deze Overeenkomst overeengekomen diensten te garanderen, erkent elke partij de geldigheid van de bewijzen van luchtwaardigheid, bekwaamheidscertificaten en vergunningen die door de andere partij zijn afgegeven of gevalideerd en die nog steeds van kracht zijn, voor zover de eisen voor dergelijke certificaten of vergunningen ten minste gelijk zijn aan de minimumeisen die uit hoofde van het Verdrag kunnen worden vastgesteld. 5. De erkenning door de EU-lidstaten van de in bijlage IV, afdeling 1, bij deze Overeenkomst bedoelde certificaten die zijn afgegeven door Oekraïne, wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van bijlage III bij deze Overeenkomst. 6. De partijen werken samen met het oog op de convergentie van de systemen voor certificering van de initiële en permanente luchtwaardigheid. 7. De partijen zien erop toe dat in de ene partij geregistreerde luchtvaartuigen die worden verdacht van niet-naleving van de bij het Verdrag vastgestelde internationale veiligheidsnormen bij landing op luchthavens op het grondgebied van de andere partij die openstaan voor internationaal luchtverkeer, door de bevoegde autoriteiten van die andere partij worden onderworpen aan platforminspecties, zowel aan boord als rond het luchtvaartuig, teneinde de geldigheid van de documenten van het luchtvaartuig en van de bemanning en de kennelijke staat van het luchtvaartuig en de apparatuur te controleren. 8. De partijen wisselen met de relevante middelen informatie uit, waaronder informatie over alle bevindingen die tijdens platforminspecties in overeenstemming met lid 7 van dit artikel zijn gedaan. 9. De bevoegde autoriteiten van een partij kunnen op elk ogenblik vragen om overleg met de bevoegde autoriteiten van de andere partij over de door de andere partij gehanteerde veiligheidsnormen, ook op andere gebieden dan die welke onder de in bijlage I bij deze Overeenkomst vermelde besluiten vallen of over bevindingen die tijdens de platforminspecties zijn gedaan. Dergelijk overleg vindt plaats binnen 30 dagen na het verzoek. 10. Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat zij voor een partij een beletsel vormt om onverwijld de nodige maatregelen te nemen wanneer zij vaststelt dat een product of dienst mogelijkerwijze: niet voldoet aan de minimumnormen die zijn vastgesteld overeenkomstig het Verdrag of, indien van toepassing, overeenkomstig de in bijlage I, deel C, bij deze Overeenkomst gespecificeerde eisen en normen; na een in lid 7 van dit artikel bedoelde inspectie aanleiding geeft tot ernstige vermoedens dat een luchtvaartuig of de exploitatie ervan niet voldoet aan de overeenkomstig het Verdrag of, indien van toepassing, de in bijlage I, deel C, bij deze Overeenkomst gespecificeerde eisen en normen vastgestelde minimumnormen; of aanleiding geeft tot ernstige vermoedens dat de overeenkomstig het Verdrag of, indien van toepassing, de in bijlage I, deel C, bij deze Overeenkomst gespecificeerde eisen en normen vastgestelde minimumnormen niet daadwerkelijk worden toegepast en gehandhaafd. 11. Wanneer een partij maatregelen nemen overeenkomstig lid 10 van dit artikel stelt zij de bevoegde autoriteiten van de andere partij daar onmiddellijk van in kennis, met opgave van de redenen voor die maatregelen. 12. Wanneer uit hoofde van lid 10 van dit artikel genomen maatregelen niet worden stopgezet, ook al zijn er geen redenen meer om dergelijke maatregelen te handhaven, kan elke partij de zaak doorverwijzen naar het Gemengd Comité. 13. Eventuele wijzigingen van de nationale wetgeving met betrekking tot de status van de bevoegde autoriteiten van Oekraïne of de bevoegde autoriteit van de EU-lidstaten worden onverwijld door de betrokken partij ter kennis gebracht van de andere partijen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel