Naar hoofdinhoud
1. Indien een persoon zich op het grondgebied van een staat die partij is bevindt en als getuige of deskundige gehoord moet worden door de rechterlijke autoriteiten van een andere staat die partij is, kan de laatstgenoemde verzoeken dat het verhoor plaatsvindt door middel van videoconferentie, zoals voorzien in het tweede tot en met zevende lid. Dit lid kan ook worden toegepast op het gebruik van videoconferentie voor andere doeleinden, zoals het identificeren van voorwerpen, personen of plaatsen, indien de aangezochte staat die partij is daarmee instemt. 2. De aangezochte staat die partij is stemt in met het verhoor per videoconferentie, mits het gebruik van videoconferentie niet in strijd is met de grondbeginselen van zijn nationale recht en mits die staat over de technische middelen beschikt om het verhoor door middel van videoconferentie uit te voeren. Indien de aangezochte staat die partij is niet over de technische middelen beschikt om het verhoor door middel van videoconferentie uit te voeren, kunnen dergelijke middelen in onderlinge overeenstemming aan hem ter beschikking worden gesteld door de verzoekende staat die partij is. 3. Verzoeken om een verhoor per videoconferentie bevatten, naast de in artikel 25 bedoelde informatie, de naam van de rechterlijke autoriteit die het verhoor leidt of, indien de aangezochte staat die partij is daarmee instemt, een andere bevoegde autoriteit die het verhoor leidt. 4. De rechterlijke autoriteit van de aangezochte staat die partij is, kan de betrokkene oproepen te verschijnen op de in zijn nationale recht voorgeschreven wijze. 5. Met betrekking tot een verhoor per videoconferentie gelden de volgende regels: een rechterlijke autoriteit van de aangezochte staat die partij is, is aanwezig tijdens het verhoor, indien nodig bijgestaan door een tolk, en kan ook verantwoordelijk zijn voor zowel de identificatie van de te horen persoon als de eerbiediging van de grondbeginselen van het nationale recht van de aangezochte staat die partij is; indien de rechterlijke autoriteit van de aangezochte staat die partij is van oordeel is dat tijdens het verhoor de grondbeginselen van het nationale recht van de aangezochte staat die partij is, worden geschonden, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het verhoor met inachtneming van deze beginselen wordt voortgezet; de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en aangezochte staten die partij zijn komen waar nodig maatregelen voor de bescherming van de te verhoren persoon overeen; het verhoor wordt rechtstreeks door of onder leiding van de rechterlijke autoriteit van de verzoekende staat die partij is afgenomen overeenkomstig zijn nationale recht; op verzoek van de verzoekende staat die partij is of de te horen persoon draagt de aangezochte staat die partij er zorg voor dat de te horen persoon zo nodig wordt bijgestaan door een tolk en/of een raadsman; de te verhoren persoon kan zich beroepen op het recht geen verklaring af te leggen dat hem zou toekomen krachtens het nationale recht van de aangezochte of de verzoekende staat die partij is. 6. Staten die partij zijn kunnen naar eigen oordeel de bepalingen van dit artikel ook toepassen op verhoren per videoconferentie van de beschuldigde persoon of de verdachte, op basis van toestemming van de persoon. In dat geval zijn de beslissing om de videoconferentie te houden en de wijze waarop de videoconferentie zal worden uitgevoerd, afhankelijk van de instemming van beide betrokken staten die partij zijn, en in overeenstemming met hun nationale wetgeving en relevante internationale instrumenten. 7. Dit artikel laat overeenkomsten of regelingen op grond waarvan het verhoor per videoconferentie op andere wijze kan plaatsvinden onverlet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel