Naar hoofdinhoud
1. De bepalingen van dit Deel zijn van toepassing op de misdrijven waarop dit Verdrag van toepassing is indien de persoon die het voorwerp is van het verzoek om uitlevering van een staat die partij is zich bevindt op het grondgebied van de aangezochte staat die partij is. 2. Onverminderd artikel 51 wordt uitlevering toegestaan indien op het misdrijf een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste een jaar is gesteld, zowel ingevolge de nationale wetgeving van de aangezochte staat die partij is als die van de verzoekende staat die partij is. Wanneer een persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf in de verzoekende staat die partij is, dan dient de nog resterende duur van de gevangenisstraf ten minste zes maanden te bedragen. 3. Indien het verzoek om uitlevering diverse afzonderlijke misdrijven omvat, waarvan er ten minste één een delict betreft waarvoor op grond van dit Verdrag uitlevering is toegestaan terwijl andere niet onder dit Verdrag vallen, kan de aangezochte staat die partij is de bepalingen van dit artikel ook toepassen ten aanzien van de laatstgenoemde strafbare feiten. 4. Elk van de misdrijven waarop de staten die partij zijn dit Verdrag toepassen, wordt geacht te zijn opgenomen als een delict op grond waarvan uitlevering kan worden toegestaan in elk tussen die staten bestaand uitleveringsverdrag. De staten die partij zijn verplichten zich ertoe deze misdrijven op te nemen als uitleveringsdelicten in elk uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel