Naar hoofdinhoud
1. De aangezochte staat die partij is, kan nadat hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen en dringend zijn, op verzoek van de verzoekende staat die partij is, een persoon om wiens uitlevering wordt verzocht en die zich op zijn grondgebied bevindt in hechtenis nemen of andere passende maatregelen nemen om zijn of haar aanwezigheid bij de uitleveringsprocedure te verzekeren. 2. Het verzoek om voorlopige aanhouding bevat: de in artikel 56, tweede lid, onderdelen a tot en met c, bedoelde informatie, indien vereist ingevolge het nationale recht van de aangezochte staat die partij is; een beschrijving van het misdrijf dat aanleiding gaf tot het verzoek en de onderliggende feiten; een verklaring omtrent het bestaan van de in artikel 56 bedoelde documenten; een verklaring dat een formeel verzoek om uitlevering van de gezochte persoon volgt. 3. De aangezochte staat die partij is, stelt de verzoekende staat die partij is onverwijld in kennis van het resultaat van de behandeling van het verzoek om voorlopige aanhouding. 4. De voorlopige aanhouding wordt beëindigd indien de aangezochte staat die partij is niet binnen 60 dagen na de inhechtenisneming van de gezochte persoon het officiële verzoek tot uitlevering heeft ontvangen. De persoon kan te allen tijde voorlopig in vrijheid worden gesteld, in welk geval de aangezochte staat die partij is alle maatregelen neemt die hij nodig acht om te voorkomen dat de gezochte persoon ontvlucht. 5. De beëindiging van de voorlopige aanhouding overeenkomstig het vierde lid vormt geen beletsel voor een nieuwe aanhouding en daaropvolgende uitlevering van de persoon indien de aangezochte staat die partij is nadien het formele verzoek om uitlevering ontvangt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel