Naar hoofdinhoud
1. In geval van inwilliging van het verzoek plegen de verzoekende staat die partij is en de aangezochte staat die partij is overleg en spreken de plaats en datum van overdracht af. De verzoekende staat wordt geïnformeerd over de duur die de opgeëiste persoon in hechtenis heeft doorgebracht met het oog op de overdracht. 2. Onverminderd het derde lid kan de opgeëiste persoon, indien hij of zij niet op de genoemde datum is overgenomen, worden vrijgelaten na het verstrijken van 30 dagen en wordt hij of zij in ieder geval vrijgelaten na het verstrijken van 45 dagen, tenzij anders gespecificeerd door de aangezochte staat die partij is. De aangezochte staat die partij is kan weigeren de persoon uit te leveren voor hetzelfde misdrijf. 3. Indien overmacht een staat die partij is verhindert de uit te leveren persoon over te dragen of over te nemen, dan stelt hij de andere staat die partij is daarvan in kennis. De staten die partij zijn plegen overleg en kunnen een nieuwe datum voor overdracht afspreken, en de bepalingen van het tweede lid zijn van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel