Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Erkenning van nationale audiovisuele werken en recht op voordelen

Onderdeel van Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië inzake audiovisuele coproductie· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 4 februari 2026

1. De audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd, worden door de bevoegde autoriteiten aangewezen als nationale audiovisuele werken, overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving op het grondgebied van elk van de partijen. 2. De coproducenten van audiovisuele werken die in het kader van dit Verdrag worden gecoproduceerd hebben toegang tot ondersteuning en andere financiële voordelen op het grondgebied van elk van de partijen overeenkomstig hun nationale wet- en regelgeving. 3. De bevoegde autoriteiten doen elkaar een lijst toekomen van de nationale wet- en regelgeving die op hun respectieve grondgebied van toepassing is voor zover die betrekking heeft op ondersteuning en financiële voordelen voor audiovisuele werken. Indien de gerelateerde nationale wet- en regelgeving op enigerlei wijze wordt gewijzigd, verplicht de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende partij zich ertoe de inhoud van die wijziging te doen toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de andere partij. 4. De voordelen die met dit Verdrag inzake gecoproduceerde audiovisuele werken worden beoogd, worden toegekend aan coproducenten die als naar behoren toegeruste financiële en technische entiteiten met voldoende professionele kwalificaties en ervaring worden beschouwd. De beide partijen houden elkaar via hun bevoegde autoriteiten op de hoogte van deze toewijzing.

Rechtspraak bij dit artikel