**1.** De verweerder kan, uiterlijk 30 dagen na de instelling van de formatie van het Gerecht op grond van artikel 17.34, lid 7, en in elk geval vóór de eerste zitting van de formatie van het Gerecht, of uiterlijk 30 dagen nadat de verweerder op de hoogte kwam van de feiten waarop de exceptie gebaseerd is, een exceptie opwerpen dat een vordering kennelijk oneigenlijk is.
**2.** De verweerder geeft de gronden voor de exceptie zo nauwkeurig mogelijk aan.
**3.** Nadat het Gerecht de partijen bij het geschil in de gelegenheid heeft gesteld om hun opmerkingen over de exceptie te maken, neemt het op de eerste zitting van zijn formatie of onverwijld daarna een beslissing over of doet het voorlopig uitspraak op de exceptie, met opgave van de redenen. Wordt de exceptie na de eerste zitting van zijn formatie opgeworpen, dan neemt het Gerecht zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk 120 dagen nadat de exceptie is opgeworpen, een beslissing over de exceptie of doet het voorlopig uitspraak daarop. Bij de beslissing over de exceptie gaat het Gerecht ervan uit dat de door de eiser aangevoerde feiten waar zijn, en kan het ook rekening houden met relevante feiten die niet in geschil zijn.
**4.** De beslissing of de uitspraak van het Gerecht laat het recht van een partij bij het geschil om op grond van artikel 17.43 of tijdens de procedure aan te voeren dat een vordering rechtens ongegrond is alsook de bevoegdheid van het Gerecht om vóór de behandeling ten principale andere excepties te onderzoeken, onverlet.
DEEL III › HOOFDSTUK 17 › AFDELING D › ONDERAFDELING 5
Artikel 17.42
Kennelijk oneigenlijke vorderingen
Onderdeel van Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds· Financieel en economisch recht