Naar hoofdinhoud

DEEL III › HOOFDSTUK 25

Artikel 25.20

Beslechting van investeringsgeschillen met betrekking tot financiële diensten

Onderdeel van Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds· Financieel en economisch recht

1. Afdeling D van hoofdstuk 17 is, als gewijzigd bij dit artikel, van toepassing op: investeringsgeschillen met betrekking tot door een Partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen met betrekking tot investeerders en hun investeringen in financiële instellingen waarop dit deel van deze overeenkomst van toepassing is en waarin een investeerder beweert dat een Partij artikel 25.3, lid 2, artikel 25.5, lid 2, of artikel 17.17, 17.18, 17.19 of 17.20 heeft geschonden, of investeringsgeschillen die zijn ingeleid op grond van hoofdstuk 17 en waarin artikel 25.11 is ingeroepen. 2. In het geval van een investeringsgeschil op grond van lid 1, punt a), van dit artikel, of indien de verweerder op grond van lid 1, punt b), van dit artikel binnen 60 dagen na de indiening van een vordering bij het Gerecht overeenkomstig artikel 17.30 een beroep doet op artikel 25.11, kan de formatie van het Gerecht waarbij de zaak aanhangig is, na raadpleging van de partijen bij het geschil en op grond van artikel 17.50, een of meer deskundigen van de op grond van artikel 25.19 vastgestelde lijst aanwijzen om verslag uit te brengen over feitelijke kwesties in verband met financiële diensten die door een partij bij het geschil in de procedure aan de orde worden gesteld. 3. Gezien het belang van het recht van een Partij om prudentiële redenen maatregelen vast te stellen of te handhaven, indien dergelijke maatregelen binnen het toepassingsgebied van artikel 25.11 vallen, is dat artikel van toepassing als geldig verweer tegen een vordering die gebaseerd is op een van de andere bepalingen van dit deel van deze overeenkomst, met inbegrip van artikel 17.17. Na een verzoek om overleg op grond van artikel 17.27 kan de verweerder de zaak schriftelijk voorleggen aan het subcomité met het verzoek te bepalen of en, zo ja, in welke mate, de maatregel waarop dat verzoek om overleg betrekking heeft, gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 25.11. Dat voorleggen moet zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het verzoek om overleg plaatsvinden. Na het voorleggen worden de in de artikelen 17.27, 17.28 en 17.30 bedoelde termijnen geschorst. 4. Nadat een zaak op grond van lid 3 is voorgelegd, tracht het subcomité te goeder trouw tot een vaststelling te komen. Een dergelijke vaststelling wordt onverwijld aan de partijen bij het geschil meegedeeld. 5. Voor zover het subcomité vaststelt dat de maatregel gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 25.11, wordt geen vordering op grond van artikel 17.30 bij het Gerecht ingediend. 6. Indien het subcomité binnen drie maanden nadat de zaak op grond van lid 3 van dit artikel is voorgelegd geen vaststelling heeft gedaan, is de in dat lid bedoelde schorsing van termijnen niet langer van toepassing. 7. Indien de verweerder nalaat om de zaak op grond van lid 3 van dit artikel voor te leggen, dan doet dat niet af aan zijn recht om artikel 25.11 in een latere fase van de procedure bij wijze van verweer in te roepen. Het Gerecht trekt geen negatieve conclusies uit het feit dat het subcomité niet tot een vaststelling is gekomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel