Naar hoofdinhoud
1. Elke verdragsluitende partij vereist van haar vergunninghouders dat zij een vergunninghoudersovereenkomst sluiten om de exploitatie van een grensoverschrijdend veld te reguleren in overeenstemming met dit Verdrag. De vergunninghoudersovereenkomst dient bepalingen te bevatten die ervoor zorgen dat in geval van een conflict tussen de vergunninghoudersovereenkomst en dit Verdrag, de bepalingen van dit Verdrag voorrang hebben. 2. De verdragsluitende partijen vereisen dat de vergunninghoudersovereenkomst, alsmede elk voorstel tot het wijzigen, aanpassen of anderszins veranderen of tot het afwijken of afzien van de bepalingen van de vergunninghoudersovereenkomst, ter goedkeuring worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen. Dergelijke goedkeuring wordt geacht te zijn verleend, tenzij de vergunninghouders door de bevoegde autoriteit van een van de verdragsluitende partijen binnen 60 dagen nadat zij de vergunninghoudersovereenkomst ter goedkeuring hebben ontvangen, van het tegendeel in kennis zijn gesteld. 3. Alvorens de vergunninghoudersovereenkomst goed te keuren, stellen de verdragsluitende partijen vast hoe de gasreserves zijn verdeeld over hun grondgebieden en coördineren zij in dit opzicht de goedkeuring van de vergunninghoudersovereenkomst.

Rechtspraak bij dit artikel