**1.** De partijen bevestigen, voor meer zekerheid, dat zij een gemeenschappelijke opvatting delen over de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest, die behelst dat artikel 26 van dat verdrag niet als rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures kan en nooit heeft kunnen dienen.
De in de eerste alinea verwoorde gemeenschappelijke opvatting is gebaseerd op de volgende elementen van het recht van de Europese Unie:
de uitlegging door het Hof van Justitie van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest in die zin dat die bepaling niet van toepassing is en nooit had mogen worden toegepast als basis voor intra-EU-arbitrageprocedures; en
de voorrang van het recht van de Europese Unie, die in herinnering is gebracht in Verklaring nr. 17, gehecht aan de Slotakte van de Intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen, als regel van internationaal recht die conflicten tussen rechtsnormen in hun onderlinge betrekkingen regelt, zodat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest hoe dan ook niet van toepassing is of kan zijn als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures.
**2.** De partijen bevestigen voor meer zekerheid dat zij de gemeenschappelijke opvatting delen dat, als gevolg van het ontbreken van een rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures op grond van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest, artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest niet tot dergelijke procedures wordt uitgebreid of te allen tijde niet kan worden uitgebreid. Bijgevolg kan artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest geen rechtsgevolgen hebben gehad in betrekkingen binnen de EU wanneer een lidstaat het Verdrag inzake het Energiehandvest vóór de sluiting van deze overeenkomst heeft opgezegd, en zou geen rechtsgevolgen hebben in betrekkingen binnen de EU indien een partij het Verdrag inzake het Energiehandvest later opzegt.
**3.** Voor alle duidelijkheid: de partijen zijn het erover eens dat artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest, overeenkomstig de in de leden 1 en 2 van dit artikel uitgedrukte gemeenschappelijke opvatting, en onverminderd die opvatting, niet van toepassing is als grondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures en dat artikel 47, lid 3, van het Verdrag inzake het Energiehandvest geen rechtsgevolgen heeft voor betrekkingen binnen de EU.
**4.** De leden 1 tot en met 3 laten de uitlegging en toepassing van andere bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest onverlet voor zover dat zij betrekking hebben op betrekkingen binnen de EU.
AFDELING 1
Artikel 2
Gemeenschappelijke opvatting over de uitlegging en de blijvende niet-toepasselijkheid van artikel 26 van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het ontbreken van een rechtsgrondslag voor intra-EU-arbitrageprocedures
Onderdeel van Overeenkomst betreffende de uitlegging en toepassing van het Verdrag inzake het Energiehandvest· Arbitrage