Naar hoofdinhoud
1. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen evalueren gezamenlijk de uitvoering van dit Verdrag twee jaar na inwerkingtreding ervan en vervolgens minimaal elke vijf jaar. Als een bevoegde autoriteit daarom verzoekt, vindt in afstemming met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen een tussentijdse evaluatie plaats. 2. Voor deze evaluaties raadplegen de bevoegde autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij de relevante bevoegde organen van die Verdragsluitende Partij, en houden zij rekening met relevante gegevens waarover deze bevoegde autoriteiten en bevoegde organen in hun databanken beschikken, inclusief de gegevens welke op grond van onderhavig Verdrag werden uitgewisseld, de rapporten als bedoeld in artikel 8, lid 11, en het eraan gegeven vervolg. 3. De uitkomsten van deze evaluaties kunnen door de bevoegde autoriteiten en de bevoegde organen worden gebruikt voor de behoefteraming inzake het voor de onderling afgestemde of gezamenlijke controles of inspecties benodigde aantal functionarissen en voor het identificeren van risicofactoren met het oog op de uitvoering van doelgerichte acties in dit kader.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel