**1.** Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden daarmee aan te leggen in of aan een rietkraag of aan of op een krachtens artikel 14 als zodanig aangewezen oever.
**2.** a) Onverminderd het bepaalde in lid 1, is het de rechthebbende op een vaartuig verboden, daarmee langer dan gedurende ten hoogste 3
achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats aan te leggen.
b) De belanghebbende op een vaartuig wordt geacht daarmee gedurende 3 achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats te hebben gelegen, indien dat vaartuig op die plaats door een met de uitvoering van de verordening belaste ambtenaar als bedoeld in artikel 16 wordt aangetroffen op enig tijdstip van de eerste van 3 dagen en op enig tijdstip van de eerste dag na die 3 dagen.
c) De rechthebbende op een vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn gebleven indien het vaartuig binnen een straal van 500 meter - hemelsbreed gemeten – gerekend vanaf de in lid a bedoelde aanlegplaats wordt aangetroffen.
d) Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden, met enig vaartuig binnen 5 dagen nadat het is verplaatst op de in lid 1 sub a bedoelde plaats opnieuw aan te leggen.
**3.** Burgemeester en wethouders kunnen van het in lid 1 gestelde verbod ontheffing verlenen voorzover het betreft een krachtens artikel 14 als zodanig aangewezen oever.