1. Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd:
Aansluitend terrein:
terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Dat kan een bouwvlak op de plankaart zijn of een (begrensd) bouwperceel waarop zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
Ander gebouw:
een ander gebouw dan een woongebouw, zoals een schoolgebouw, ziekenhuis, winkel, hotel, kantoor of een ander gebouw, geen woongebouw zijnde.
Bebouwde kom:
gebieden van de bebouwde kom, zoals die begrensd worden door de diverse bestemmingsplannen Buitengebied.
Bouwvlak:
het in het van toepassing zijnde bestemmingsplan door bouwgrenzen omsloten vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.
Nevenruimte:
een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste van het hoofdgebouw staat en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
2. Voor begripsbepalingen die niet in deze beleidsregels zijn voorzien, gelden allereerst de bepalingen uit de Wabo dan wel het Bor en vervolgens de bepalingen van het desbetreffende bestemmingsplan.3. Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de bepalingen in het desbetreffende bestemmingsplan over de “wijze van meten” toegepast.
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Beleidsregels kleine afwijkingen van bestemmingsplannen gemeente Eersel 2010