1.
Aan de directeuren wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten en het afdoen van zaken die verband houden met en voortvloeien uit de verantwoordelijkheid die zij ingevolge artikel 15 van dit besluit dragen.
2.
De directeuren wordt toegestaan terzake het vorenstaande mandaat, ondermandaat te verlenen aan functionarissen van de door hen geleide dienst.
3.
Besluiten tot verlening van ondermandaat worden schriftelijk vastgelegd en ter kennisneming aan de secretaris gezonden.
4.
De gemandateerde bevoegdheid wordt uit naam en onder verantwoordelijkheid van het college uitgeoefend.
5.
In de gevallen waarin de secretaris, de directeuren of de ondergemandateerde gebruik maken van de binnen dit besluit verleende mandaat, worden de desbetreffende stukken voorzien van de ondertekeningsformule opgenomen in bijlage C van dit besluit.
6.
De secretaris kan ten aanzien van het bepaalde in dit artikel nadere aanwijzingen geven.