Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6

Aflossingsvoorwaarden

Onderdeel van Regeling bijstand en eigen woning

1.. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste 10 jaar. 2.. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. 3.. Het maandbedrag van de aflossing wordt jaarlijks voor de periode van één jaar vastgesteld. 4.. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Wet werk en bijstand dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 en 3, van de Wet werk en bijstand, wordt geen aflossing gevergd. Tevens wordt geen aflossing gevergd als de belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. 5.. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt het maandelijkse aflossingsbedrag, zo nodig tussentijds, op een lager dan wel hoger bedrag vastgesteld; 6.. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de belanghebbende komende bijzondere bestaanskosten. Deze kosten worden in mindering gebracht op het inkomen. 7.. Indien de belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van 10 jaar verwijtbaar nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening direct opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel