Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling 4.

Artikel 4.27

Vergunningplicht handelsreclame

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Bloemendaal 2011

1.. Het is verboden zonder omgevingsvergunning op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. 2.. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning weigeren: indien de handelsreclame hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; indien de handelsreclame overlast kan veroorzaken voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak; indien de handelsreclame geen relatie heeft met de bestemming of feitelijke gebruik van de onroerende zaak, of met het gedeelte daarvan waarop de reclame is of wordt aangebracht, tenzij het handelsreclame van tijdelijke aard betreft of het om een door het bevoegd gezag aangewezen onroerende zaak gaat. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die kennelijk niet gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen kleiner dan 0,50 m2en de langste zijde korter dan 1 meter, die betrekking hebben op: een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; d.. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen betrekking hebbend op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e.. opschriften, aankondigingen en afbeeldingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor opschriften, aankondigingen en afbeeldingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a.. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijke kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag; b.. het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; c.. deze opschriften, aankondigingen en afbeeldingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 5.Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken. Daarvan is in ieder geval sprake als het opschrift, de aankondiging of afbeelding meer dan 10 cm uitsteekt boven de weg op een hoogte van minder dan 2,2 meter. Dit verbod geldt ook indien het in het eerste lid gesteld verbod niet van toepassing is. 6.. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op bouwwerken. Het bepaalde in artikel 2.1, lid 1, sub a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt onverkort.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel