**1..** Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
**2..** Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
**3..** Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie.
**4..** Eenieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2.2.4 Uitdagend gedrag e.d. bij een betaald voetbalwedstrijd (2)
Het is verboden bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2.2a door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
Vanaf 4 uur voor het vastgestelde begin van de wedstrijd tot 2 uur na afloop van de wedstrijd is het verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen, die als wapen c.q. projectiel kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren opdat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
Een ieder is verplicht bij een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2.2.a alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Artikel 2.2.5 Stadionomgevingsverbod (2)
De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion van de BVO Cambuur (dit gebied is omschreven in artikel 2.2.2a) van vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot twee uur na afloop van voetbalwedstrijden van de in artikel 2.2.2a bedoelde organisator.
De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het eerste lid bedoeld verbod, indien de persoon de openbare orde in of in de omgeving van genoemd stadion in ernstige mate heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de in artikel 2.2.2a genoemde organisator in dit stadion is gespeeld.
Artikel 2.2.5a Verwijderingsplicht voetbalsupporters (2)(3)
Personen die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als voetbalsupporters, en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd dan wel tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.
Artikel 2.2.5b Supportersstromen (2)(3)
Al diegenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken.
Al diegenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de Gemeente.
Al diegenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd, alsmede op een of andere wijze de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen te doen, zijn verplicht zich in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in de door de politie aan te geven route en richting, behalve indien zij woonachtig zijn in de gemeente Leeuwarden.
Artikel 2.2.6 Carbidschieten
Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Carbidschieten is verboden.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet in de volgende gevallen:
carbidschieten dat plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar, mits daarbij wordt voldaan aan de volgende voorschriften:
er worden geen handelingen verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens en milieu.
er worden in totaal niet meer dan twee bussen gebruikt.
de plek waar het carbidschieten plaatsvindt ligt buiten de bebouwde kom.
de afstand vanaf de plek waar het carbidschieten plaatsvindt tot de woonbebouwing bedraagt tenminste 100 meter.
het vrijschootsveld bedraagt tenminste 75 meter.
indien het carbidschieten plaatsvindt na zonsondergang dient het terrein te worden verlicht.
De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het derde lid niet van toepassing is.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
Dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijven
Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen
Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis.
Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.
Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
Onder exploitant wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.2.
Onder leidinggevende wordt in deze paragraaf verstaan: de natuurlijke persoon of personen die onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een inrichting.
Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:
de gezinsleden van de exploitant, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Onder “Horecanota” wordt verstaan de door de raad bij besluit van 16 december 2002, vastgestelde “Horecanota gemeente Leeuwarden”.
Onder respectievelijk concentratiegebied, ontwikkelingsgebied, consolidatiegebied en deconcentratie-gebied worden verstaan die gebieden die als zodanig zijn aangeduid in de Horecanota, als bedoeld in het zevende lid, en als zodanig voorkomend op de bij die nota behorende en gewaarmerkte kaart.
Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning horecabedrijf (3)(4)
Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester, tenzij voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en horecawet is verleend.
Indien de exploitatie van een horecabedrijf, waarvoor een vergunning als bedoeld in het eerste lid is verleend, wordt uitgebreid of (ingrijpend) wordt gewijzigd, dient een nieuwe vergunning als bedoeld in het eerste lid te worden aangevraagd.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien:
de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan;
de exploitant geen verklaring omtrent het gedrag overlegt, die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.
Artikel 2.3.1.2a Nadere eisen (3)(4)
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2:
dient de leidinggevende:
minimaal de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt, met dien verstande dat leidinggevenden in bedrijven waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt minimaal de leeftijd van 18 jaar is bereikt;
te voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen zedelijkheid gedrag Drank- en Horecawet 1999;
niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn;
niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij te zijn ontzet;
dient het horecabedrijf waar uitsluitend etenswaren en niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt één lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 15 m² te hebben;
dienen overige horecabedrijven één lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 35 m² te hebben.
Van het gestelde in het eerste lid onder a, met betrekking tot de leeftijdseis kan de burgemeester ontheffing verlenen voor maximaal een jaar, mits sprake is van een bijzonder geval, dan wel indien gewichtige belangen daartoe aanleiding geven.
Van het gestelde in het eerste lid onder b, met betrekking tot de oppervlakte van 15 m², kan de burgemeester ontheffing verlenen voor bestaande horecabedrijven, waarvan de oppervlakte kleiner is dan 15 m², aan de exploitant of zijn rechtsopvolger.
De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2, indien niet wordt voldaan aan de nadere eisen als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.1.2a, en daarvan geen ontheffing kan worden verleend.
Artikel 2.3.1.2b Aanwezigheid van en toezicht door de leidinggevende
Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde leidinggevende in het horecabedrijf aanwezig is.
Het in lid 1 genoemde verbod geldt niet voor een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard.
De exploitant en de leidinggevende zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in het horecabedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.
Artikel 2.3.1.2c Categorale vrijstelling
De burgemeester kan bij openbare bekendmaking:
bepalen dat het exploiteren van categorieën horecabedrijven, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van vergunningplicht is vrijgesteld;
voorschriften stellen aan de onder a. genoemde vrijstelling.
Artikel 2.3.1.3 Indienen aanvraag (3)(4)
1.Uiterlijk 8 weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning dient de vergunninghouder een nieuwe aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.1.2 ingediend te hebben middels een vastgesteld formulier.
Artikel 2.3.1.3a Vervallen vergunning
De vergunning vervalt:
sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
de verlening van de vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden;
zodra de exploitant kenbaar maakt de exploitatie van het horecabedrijf feitelijk te hebben beëindigd. Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.
Artikel 2.3.1.3b Wijziging leidinggevende
Indien een leidinggevende, als bedoeld in artikel 2.3.1.1, lid 5, zijn taak feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging schriftelijk kennis aan de burgemeester.
De leiding kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien de burgemeester op aanvraag van de exploitant heeft besloten een gewijzigde vergunning te verlenen.
Artikel 2.3.1.4 Openings- en sluitingstijden (3)
De exploitant van een horecabedrijf dient bij de toegang tot zijn bedrijf op een voor een ieder zichtbare plaats een door de gemeente te verstrekken kaart te plaatsen en te houden, waarop de openings-, sluitings- en toelatingstijden zijn vermeld. Indien niet aan de in dit lid gestelde eis wordt voldaan, geldt voor dat horecabedrijf een sluitingstijd van 23.00 uur.
Het is de exploitant van een horecabedrijf toegestaan dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
- van 08.00 uur tot 06.00 uur in de gebieden
binnen de stadsgrachten: de als zodanig aangewezen gebieden in de Horecanota met de bestemming van concentratie-, ontwikkelings-, of consolidatiegebied;
het Stationskwartier, begrensd door: Prins Hendriksbrug, Sophialaan, Stationsplein (inclusief het NS-station), Stationsweg, Zuiderplein, Wirdumerpoortsbrug en midden van de Zuiderstadsgracht,
met dien verstande dat het tussen 03.00 uur en 06.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht, behoudens het gestelde in het vierde lid;
-van 08.00 uur tot 23.00 uur in de gebieden
binnen de stadsgrachten: de als zodanig aangewezen gebieden in de Horecanota met de bestemming van deconcentratiegebied.
3.Het is de exploitant van een horecabedrijf, niet gelegen in één van de in het tweede lid genoemde gebieden, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
- van 01.00 uur tot 08.00 uur
met dien verstande, dat het tussen 00.00 uur en 01.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht behoudens het gestelde in het vijfde lid.
4.Het is de exploitant van een horecabedrijf, gelegen in één van de gebieden genoemd onder a. en b. van het tweede lid van dit artikel, toegestaan een terras geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
- van 10.00 uur tot 01.00 uur.
met dien verstande dat het in de maanden juni, juli en augustus toegestaan is het terras in de nacht van zaterdag op zondag tot 02.00 uur geopend te hebben.
5.Het is de exploitant van een horecabedrijf, als bedoeld in het derde lid van dit artikel toegestaan een terras geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten en te laten verblijven:
- van 10.00 uur tot 24.00 uur.
De in het tweede en derde lid genoemde verboden gelden niet voor de exploitant van het horecabedrijf, gelegen aan de Heliconweg, verbonden aan en specifiek ten dienste staande van de veemarkt, op de dag waarop de veemarkt wordt gehouden.
De in het tweede en derde lid genoemde verboden gelden niet voor de exploitant van een bedrijf waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt geboden voor zover het betreft activiteiten en handelingen die betrekking hebben op het verstrekken van logies.
In tegenstelling tot het in het tweede lid bepaalde geldt het verbod om tussen 03.00 uur en 06.00 uur nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht, niet voor eetgelegenheden die alcoholhoudende drank verstrekken of verkopen onder voorwaarde dat er tussen 03.00 uur en 06.00 uur geen alcoholische drank wordt geschonken en ook niet in gesloten verpakking wordt verstrekt.
Overeenkomstig het gestelde in artikel 1.4 kan de burgemeester door middel van een vergunningsvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf of voor een daartoe behorend terras een ander sluitings- en/of toelatingsuur of andere sluitings- en/of toelatingsuren vaststellen.
Het in de vorige leden bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Artikel 2.3.1.4a Overgangsrecht
Voor horecabedrijven, niet gelegen in het concentratie-, ontwikkelings- of consolidatie-gebieden, waarvoor op 15 januari 1998 andere sluitingstijden golden, blijft de toen geldende situatie van kracht, met uitsluiting van de bepalingen voor de sluitingstijden van terrassen.
Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, ingeval van exploitatie zonder vergunning of in strijd met de vergunning of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4 of 2.3.1.4a geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
De burgemeester kan door middel van een vergunningsvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.
Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf
Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring
(Vervallen)
Artikel 2.3.1.8 Het college van burgemeester en wethouders als bevoegd bestuursorgaan
Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college van burgemeester en wethouders op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5.
Artikel 2.3.1.9 Overige bepalingen
Bij overlijden van een vergunninghouder kan het bedrijf worden voortgezet tot drie maanden na het overlijden, of indien binnen die termijn een nieuwe vergunning is aangevraagd, tot het tijdstip waarop op de desbetreffende aanvraag onherroepelijk is beslist.
Artikel 2.3.1.10 Terrasvergunning horecabedrijf (4)
Het is verboden bij een horecabedrijf een terras te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Indien de vergunningaanvraag mede betrekking heeft op één of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen op de weg, beslist de burgemeester over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. De burgemeester kan over de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vaststellen.
Onverminderd het gestelde in artikel 1.8 kan de burgemeester de in het tweede lid bedoelde ingebruikneming van de weg weigeren:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
in het belang van voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak;
ingeval van strijd met de op grond van het tweede lid vastgestelde nadere regels.
Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.
Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;
houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.
Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2.3.2.3 Nachtregister
De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.
Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.3.3.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid, waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij premies, geld of in geld inwisselbare goederen kunnen worden gewonnen en verloren.
Exploitant: degene die een speelgelegenheid exploiteert of, indien de exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die bestuurder is van die rechtspersoon.
Beheerder: de natuurlijke persoon die de dagelijkse en onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een speelgelegenheid.
Artikel 2.3.3.2 Exploitatie van een speelgelegenheid
Het is verboden een speelgelegenheid te (doen) exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de
burgemeester.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid onder c, van de Wet op de Kansspelen een vergunning is vereist; b. gelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de Kansspelen te beoefenen of waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Kansspelen.
Artikel 2.3.3.3 Aanvraag vergunning
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.3.2, eerste lid, moet een schriftelijke aanvraag bij de burgemeester worden ingediend.
Bij een aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld en/of overlegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant(en); b. de persoonsgegevens van de beheerder(s); c. een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. de plaatselijke ligging van de speelgelegenheid; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de speelgelegenheid; f. een bedrijfsplan, waarin in ieder geval staat beschreven welk(e) spel(en) in de speelgelegenheid zal (zullen) worden beoefend.
Indien de exploitant een wijziging wenst van het soort spelen in de speelgelegenheid deelt hij dit de burgemeester vooraf schriftelijk mede; de mededeling wordt als aanvulling op het bedrijfsplan aangemerkt.
Artikel 2.3.3.4 Gedragseisen exploitant en beheerder
De exploitant en de beheerder van een speelgelegenheid:
staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
dienen een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de justitiële documenta- tie te overleggen die uiterlijk drie maanden van te voren is afgegeven;
zijn niet binnen de laatste vijf jaar exploitant of beheerder geweest van een speelgelegenheid of horeca-inrichting die voor tenminste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 2.3.3.2, eerste lid, of artikel 2.3.1.2, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hen terzake geen verwijt treft;
zijn niet binnen de laatste vijf jaar tenminste twee maal onherroepelijk veroordeeld wegens overtreding van het bepaalde in de Drank- en Horecawet, de Wet op de kansspelen, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie;
hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.
Artikel 2.3.3.5 Weigeringsgronden vergunning
De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.3.2, eerste lid, indien:
De vestiging of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend of in procedure zijnd bestemmingsplan;
De exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.3.3.4 gestelde eisen.
De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.3.2, eerste lid, weigeren, indien naar zijn oordeel:
De woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;
Een eerdere vergunning voor de exploitatie van de speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid met toepassing van deze verordening dan wel van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten;
Het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.3.3.3 onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;
Redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
Artikel 2.3.3.6 Verplichtingen exploitant en beheerder
De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht voldoende toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de openingstijden van de speelgelegenheid dan wel ervoor zorg te dragen dat voldoende toezicht wordt uitgeoefend.
De exploitant is verplicht als beheerder van de speelgelegenheid op te laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat vermeld.
De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat de vergunning in de speelgelegenheid aanwezig is en deze op eerste vordering van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage af te geven.
Artikel 2.3.3.7 Exploitatietijden speelgelegenheid
Het in de artikelen 2.3.1.4, 2.3.1.5, 2.3.1.6, 2.3.1.7 en 2.3.1.8 van deze verordening bepaalde is onverkort van overeenkomstige toepassing op speelgelegenheden, die niet tevens als horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 zijn aan te merken.
Artikel 2.3.3.8 Intrekkingsgronden vergunning
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien:
De exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2.3.3.4 gestelde eisen;
De exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan heeft opgenomen dan wel het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2.3.3.3, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat het in deze verordening en de Wet op de kansspelen bepaalde niet zal worden overtreden;
In de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in en om de speelgelegenheid;
De woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid op ontoelaatbare wijze wordt benadeeld of verstoord door de exploitatie van de speelgelegenheid;
Zich in of vanuit de speelgelegenheid anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelgelegenheid gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid;
De exploitant de in artikel 2.3.3.6 neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt;
De exploitant het toezicht op de naleving van het in deze paragraaf bepaalde belemmert.
Artikel 2.3.3.9 Sluiting van speelgelegenheid
De burgemeester kan een speelgelegenheid al dan niet voor een bepaalde duur gesloten verklaren, indien:
die speelgelegenheid wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;
die speelgelegenheid wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
een van de in artikel 2.3.3.8 genoemde situaties waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet.
De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt, zodra een besluit tot sluiting op of nabij de toegang(en) van de speelgelegenheid is aangebracht.
Eenieder is verplicht toe te laten, dat het in het tweede lid bedoelde besluit wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
Het is de exploitant of beheerder verboden in de speelgelegenheid bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.
Het is eenieder verboden om, nadat de sluiting van een speelgelegenheid overeenkomstig het tweede lid bekend is gemaakt, daarin als bezoeker te verblijven.
Artikel 2.3.3.10 Beëindiging exploitatie speelgelegenheid
De exploitant is verplicht, indien hij de exploitatie van de speelgelegenheid ten behoeve waarvan de vergunning is verleend beëindigt, hiervan binnen twee weken na de beëindiging schriftelijk mededeling te doen aan de burgemeester.
Bij ontvangst van deze mededeling dan wel uiterlijk twee weken na de feitelijke beëindiging vervalt de vergunning, tenzij is aangegeven dat de exploitatie van die speelgelegenheid door een ander wordt voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen de in het eerste lid genoemde termijn van twee weken is ingediend.
Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden zich daartegen verzetten blijft de vergunning in dat geval van kracht, totdat op de aanvraag een besluit is genomen.
Artikel 2.3.3.11 Wijziging beheer
De exploitant is verplicht, indien een beheerder het beheer in de speelgelegenheid feitelijk beëindigt, hiervan binnen twee weken na de beëindiging schriftelijk mededeling te doen aan de burgemeester.
Het beheer van de speelgelegenheid kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant de burgemeester hiervan vooraf schriftelijk in kennis heeft gesteld en de burgemeester de kennisgeving heeft aanvaard dan wel na de kennisgeving zes weken zijn verstreken.
Artikel 2.3.3.12 Bevoegd orgaan
Indien de speelgelegenheid niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd, worden de in deze paragraaf aan de burgemeester toegekende bevoegdheden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 2.3.3.13 Overgangsbepaling
Het verbod van artikel 2.3.3.2 geldt acht weken na het in werking treden van deze paragraaf niet voor speelgelegenheden die naar het oordeel van de burgemeester al gevestigd waren voor die inwerkingtreding.
Indien de exploitant binnen de in het eerste lid genoemde termijn van acht weken een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2.3.3.2, eerste lid, heeft ingediend, geldt het verbod niet totdat op de aanvraag een besluit is genomen.
Gedurende de periode bedoeld in het eerste en tweede lid kan de burgemeester met het oog op de in de artikelen 2.3.3.5 en 2.3.3.8 genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen.
Artikel 2.3.3.14 Speelautomaten
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a Wet: de Wet op de kansspelen
b speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet;
c kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
d hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
e laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.
Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal (3)
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Artikel 2.4.2 Plakken en kladden
Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken , te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
Het in het tweede lid gestelde verbod is tevens van toepassing op straatmeubilair, verkeersmeubilair en andere tot de inrichting van de weg behorende voorzieningen.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
Het college van burgemeester en wethouders kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
Het is verboden de in het vijfde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.
Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2.
Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.
Artikel 2.4.5 Gereserveerd
Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.
Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.
Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Friesland.
Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg
Het is verboden:
op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.4.7a Liggen of slapen op of aan de weg
Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.
Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder, overlast en ontsiering van het stadsbeeld.
Het verbod geldt niet op door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.
Artikel 2.4.7b Verplichte route
Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik
Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, met het kennelijke doel deze geheel of ten dele op de weg te nuttigen of te laten nuttigen.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.1.1. eerste en tweede lid;
de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.
Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
Het is verboden:
zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;
zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw.
Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:
dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of die portiek;
daardoor de doorgang ernstig belemmerd wordt.
Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op de door het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2.4.13. Bespieden van personen
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.
Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur
(Vervallen)
Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren
Het is verboden zonder dat daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat de politie, de brandweer of enig andere overheidsinstelling op welke wijze dan ook te alarmeren.
Artikel 2.4.16 Alarminstallaties (3)
(Vervallen)
Artikel 2.4.17 Loslopende honden (3)
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;
op een weg waar dat door borden is aangegeven;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speel- en ligweide, recreatieterrein, dan wel strand en andere door het college als zodanig aangewezen plaatsen;
Het in het eerste lid, onder a. vervatte verbod geldt niet voor door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen waar dat door borden is aangegeven, mits een hond losloopt onder voldoende geleide of toezicht
Het bepaalde in het eerste lid, onder b, geldt niet voor personen die in verband met hun gezichtsvermogen gebruik maken van een blindengeleidehond, voor ambtenaren van politie die voor de uitoefening van hun taak gebruik moeten maken van een surveillancehond of een speurhond en voor het bestemmingsverkeer.
Van het in het eerste lid, onder a, vervatte verbod kan het college ontheffing verlenen voor een hond, die ingezet wordt ten behoeve van het hoeden van een schaapskudde.
Het in het eerste lid, onder a, vervatte verbod geldt niet voor hulphonden voor mensen met een motorische beperking mits:
het een speciaal opgeleide hond betreft van een erkende organisatie voor hulphonden;
de hond als zodanig herkenbaar is;
de begeleider op verzoek een identiteitspas kan tonen van de erkende organisatie voor hulphonden.
Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden
De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van de hond in de openbare ruimte terstond worden opgeruimd.
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar de in lid 1 gestelde verplichting niet van toepassing is.
Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:
anders dan kort aangelijnd nadat het college van burgemeester en wethouders aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college van burgemeester en wethouders aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren;
kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.
Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren van toepassing is.
Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:
aanwezig te hebben; dan wel
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel
aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.
Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college van burgemeester en wethouders is aangegeven.
Het college van burgemeester en wethouders kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
Artikel 2.4.20a (Stads)duiven
Het is verboden op de openbare weg (stads)duiven of andere overlastveroorzakende vogels te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren.
Artikel 2.4.21 Wilde dieren
(Vervallen)
Artikel 2.4.22 Loslopend vee
De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 2
Artikel 2.2.3a
Wanordelijkheden bij evenementen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening (apv)
Verwijzingen
- artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht
- Artikel 2
- artikel 175 van de Gemeentewet
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 438
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 175 van de Gemeentewet
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 175 van de Gemeentewet
- artikel 1
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 174a van de Gemeentewet
- artikel 174 van de Gemeentewet
- artikel 424
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 30
- artikel 30c
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2