Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 5

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college een openbare plaats of openbaar water anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. Indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. In het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken; d. Indien voor ondergrondse infrastructuur onvoldoende ruimte is; e. Indien het gebruik van ondergrondse infrastructuur een belemmering vormt voor toekomstige ontwikkelingen. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. voor zover gehandeld wordt met een andere vergunning dan een vergunning als bedoeld in het eerste lid of een ontheffing van het bevoegde bestuursorgaan, dan wel voorzover daarvan – overeenkomstig enig wettelijk voorschrift – melding of kennisgeving is gedaan en wordt gehandeld overeenkomstig de naar aanleiding van de melding gestelde voorschriften; d. voor het uitsteken van vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, mits zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; e. voor zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: I. geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; II. en geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; III. geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt. f. voor voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is; g. voor voertuigen; h. voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard; 4. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen, mits voldaan aan het bepaalde in het vijfde lid: a. bouwobjecten; b. driehoeks-/ sandwichborden; c. spandoeken d. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. 5. Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën genoemd in het vierde lid. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien (in opdracht van) een bestuursorgaan of openbaar lichaam taken verricht. 7. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenwet, of het Provinciaal wegenreglement. 8. In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel