In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of schorsen indien:
a. de leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden;
b. aannemelijk is dat de leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
c. de leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
d. de leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook;
e. zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
f. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, of een wijziging van de vergunninghouder, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;
g. de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
h. uit de hem ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid dat in de openbare inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet zullen worden bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 8
Artikel 2:28 D
Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening