Het is verboden binnen het toepassingsgebied van de verordening:
met een vaartuig aan de oevers van of op de wateren en plassen ligplaats in te nemen of te hebben op plaatsen die door Burgemeester en Wethouders als zodanig zijn aangewezen en die ter plaatse nader zijn aangegeven;
met vaartuigen ligplaats in te nemen in de voor de oever gelegen rietkraag;
in de onder b. bedoelde rietkraag of in de oever te ankeren;
binnen 20 meter van een als zodanig ingebruik zijnde zweminrichting of surfoever te ankeren;
vaartuigen te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten liggen anders dan op de daarvoor door Burgemeester en Wethouders aangewezen en ter plaatse nader aangegeven.