**1..** De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.
**2..** De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
**3..** Indien de belastingplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het heffingstijdvak aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel naar maandbedragen herleide gedeelten van het overeenkomstig artikel 6 van toepassing zijnde tarief als er in dat heffingstijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog kalendermaanden overblijven. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
**4..** Indien de belastingplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het heffingstijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel naar maandbedragen herleide gedeelten van het overeenkomstig artikel 6 van toepassing zijnde tarief als er in dat heffingstijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog kalendermaanden overblijven. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing.
**5..** Bij de aanvang van de belastingplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, op de eerste van een kalendermaand is over die maand de volle belasting verschuldigd. Bij aanvang op een later tijdstip wordt over de lopende kalendermaand geen belasting geheven.
**6..** Bij beëindiging van de belastingplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, na de eerste van een kalendermaand is over die maand de volle belasting verschuldigd.
**7..** Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.