Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)
Het recht op suppletie eindigt:
na ommekomst van de duur van de suppletie;
met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
is overleden;
met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.