Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte
groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)
**1.** Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de
inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.
**2.** Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in
verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:
met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
aangezegd;
gedurende non-activiteit, vakantie of verlof
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake
waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;
vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de
betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in
onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor
zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag
inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de
betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere
inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van
een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
het ontslag.
**3.** In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
betrokkene afwijken van het tweede lid.