De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van
een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar.
De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van
artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.