1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs
volgt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 23.400,-, wordt
slechts bekostiging verstrekt voorzover de kosten van het vervoer van
die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 11
bepaalde afstand te boven gaan.
2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van
een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling
per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het
openbaar vervoer over de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het
inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 23.850,-. De kosten voor
openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de
kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de
regeling die is gebaseerd op artikel 30 , eerste lid, van de Wet
personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden
gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het
daadwerkelijk gebruik ervan.
3. Het bedrag van € 23.850,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt
met ingang van 1 augustus 2011 jaarlijks aangepast aan de wijziging die
het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond
op een veelvoud van euro 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats
van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 23.850,-.
4. Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.
5. Het drempelbedrag wordt voor maximaal 2 kinderen in rekening
gebracht.