**1..** Onder de participatievoorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening worden verstaan de voorzieningen zoals omschreven in de artikelen 4 tot en met 13 van deze verordening.
**2..** Het dagelijks bestuur kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit wetgeving, aan de toekenning van een voorziening nadere verplichtingen verbinden.
**3..** Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen, indien:
de persoon die aan de voorziening deelneemt de wettelijke verplichtingen en de aan de in het eerste lid bedoelde voorzieningen verbonden verplichtingen niet nakomt;
de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van deze verordening;
de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening;
naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een doelmatige arbeidsinschakeling.
**4..** Het dagelijks bestuur kan ten aanzien van de voorzieningen nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;
de weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen;
de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten;
het vragen van een eigen bijdrage;
overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies.
**5..** Een voorziening wordt in elk geval geweigerd door het dagelijks bestuur in de situatie dat een persoon met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of een niet- uitkeringsgerechtigde een eerder participatietraject verwijtbaar heeft onderbroken.
**6..** Het dagelijks bestuur kan buiten de in de artikelen 4 tot en met 13 bedoelde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling nog andere voorzieningen aanbieden.