1. Ingeval van inwoning door bloed- of aanverwanten in de eerste graad van de belanghebbende(n) worden de netto inkomsten van deze verwanten als volgt in aanmerking genomen: de gezamenlijke inkomsten van de belanghebbende(n) en de verwanten worden verlaagd met:
a. de in artikel 21 sub c van de wet genoemde norm en b. een bedrag ter hoogte van de in artikel 21 sub a van de wet genoemde norm per verwant.
2. Het resterende bedrag wordt volledig in mindering gebracht op de, op grond van artikel 12 vastgestelde bijzondere bijstand voor woonkosten.