1. Bij het volgens artikel 32 en 33 van de wet in aanmerking te nemen inkomen geldt een vrijlating van 20% bovenop de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Van het inkomen dat hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt in beginsel 35% als middel in aanmerking genomen voor de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand. Als de kostensoort daartoe aanleiding geeft, kan hiervan worden afgeweken.
2. Een percentage van 100% geldt in geval van kosten voor duurzame gebruiksgoederen,levensonderhoud van jongeren van 18, 19 of 20 jaar, garantietoeslag aan voormalige één-ouder gezinnen, woonkostentoeslag, zorgtoeslag, buitengewone verwervingskosten, schuldsanering, kraampakket, verhuizing en woninginrichting.
3. Bij de vaststelling van het inkomen wordt een op basis van artikel 36 van de wet verstrekte
langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.
4. Het in aanmerking te nemen inkomen wordt verlaagd met:
a. de betalingen voor levensonderhoud ten behoeve van de niet in het gezinsverband van de belanghebbende levende echtgeno(o)t(e) en kinderen tot 21 jaar, alsmede ten behoeve van de gewezen echtgeno(o)t(e);
b. de ten laste van de belanghebbende blijvende kosten in verband met studie en opleiding van kinderen.
5. Bij de vaststelling van het inkomen wordt uitgegaan van het periodieke inkomen van de belanghebbende(n) gedurende de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend.
Indien dit inkomen geen juist inzicht geeft in het te verwachten inkomen gedurende de draagkrachtperiode, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen gedurende het aan de bedoelde maand voorafgaande kwartaal, halfjaar of jaar. Dit is afhankelijk van welke periode het juiste inzicht geeft in het te verwachten inkomen.