Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.8

Verantwoordelijkheden van een budgethouder

Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen Wmo Veldhoven 2011

Bij de verlening van een persoongebonden budget worden de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd: de budgethouder gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor inkoop van een adequaat compenserende voorziening/oplossing en voor de daarmee samenhangende kosten, conform de eisen zoals omschreven in de beschikking; de budgethouder bewaart de rekening(en) en/of betalingsbewijs(zen) voor de geleverde ondersteuning gedurende drie jaar en stelt deze desgevraagd ter beschikking aan het college, bijvoorbeeld op een daarvoor bedoeld verantwoordingsformulier. Controle van de verantwoording gebeurt in principe steekproefsgewijs; budgethouders kunnen middels een steekproef worden gecontroleerd op het pgb-gebruik (besluit, artikel 1.6); de budgethouder stelt het college onverwijld uit eigen beweging, maar ook op diens verzoek, op de hoogte van alle feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de verlening of hoogte van het persoonsgebonden budget; de budgethouder dient binnen twaalf maanden na ontvangst van het besluit omtrent een voorziening een verzoek tot uitbetaling van het persoongebonden budget in (uitgesloten hiervan is het periodiek uit te betalen pgb, bijvoorbeeld ten behoeve van inkoop voor hulp bij het huishouden); de budgethouder dient volledige verantwoording af te leggen over het toegekende budget. Indien de budgethouder het persoonsgebonden budget niet volledig heeft besteed, conform de eisen in de toekenningbeschikking, kan het college het teveel betaalde terugvorderen (artikel 7.9, Verordening).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel