Een persoon met beperkingen kan voor een individuele vervoersvoorziening in aanmerking worden gebracht indien:
aantoonbare beperkingen het de persoon met beperkingen onmogelijk maken om in de directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag; en/of
aantoonbare beperkingen het de persoon met beperkingen onmogelijk maken om buiten de directe woon- en leefomgeving de sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag, waardoor deze persoon in een sociaal isolement of vervreemding geraakt; en
voor de persoon met beperkingen het zelfstandig bereiken en gebruiken van een algemene vervoersvoorziening zoals het openbaar vervoer onmogelijk is.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1
Individuele vervoersvoorziening en primaat algemene voorziening
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen Wmo Veldhoven 2011