**1..** De maatregel wordt vastgesteld :
op een bedrag gelijk aan van vijf procent van de netto
grondslag gedurende één maand bij
gedragingen van de eerste categorie;
op een bedrag gelijk aan tien procent van de netto grondslag
gedurende één maand bij
gedragingen van de tweede categorie;
op een bedrag gelijk aan twintig procent van de netto
grondslag gedurende één maand bij
gedragingen van de derde categorie;
op een bedrag gelijk aan honderd procent van de netto
grondslag gedurende één maand bij
gedragingen van de vierde categorie.
HOOFDSTUK 3: HET NIET-TIJDIG, ONVOLDOENDE DAN WEL
NIET-NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT
Artikel 11 - Te laat verstrekken van gegevens
Indien een belanghebbende de
inlichtingenverplichting op grond van artikel 13 van
de IOAW en artikel 13 van de IOAZ of artikel 30 c
tweede of derde lid Wet Suwi niet is nagekomen door
informatie die van belang is voor de verlening van
uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de
door het college daartoe gestelde termijn te
verstrekken, wordt ten eerste een termijn gegeven
van 5 werkdagen om de inlichtingen alsnog te
verstrekken. Is de informatie na het verstrijken van
de 5 werkdagen niet gegeven dan wordt, met
toepassing van artikel 17 IOAW of artikel 17 IOAZ,
het recht op uitkering opgeschort en een maatregel
opgelegd en vastgesteld op een bedrag gelijk aan 10
% van de netto grondslag gedurende één maand,
onverminderd artikel 2 derde lid van deze
verordening.
In afwijking van het eerste lid kan het college,
indien het te laat verstrekken van gegevens niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen uitkering, afzien van het opleggen
van een maatregel en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing, tenzij het te laat
verstrekken van gegevens heeft plaatsgevonden binnen
een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de belanghebbende een
schriftelijke waarschuwing is gegeven.
Artikel 12 - Het niet verstrekken of het verstrekken van
onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de
uitkering.
Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 13
IOAW
en artikel 13 IOAZ, of artikel 30c, tweede of derde
lid Wet SUWI heeft geleid tot het ten onrechte of
tot een te hoog bedrag verlenen uitkering, wordt de
maatregel afgestemd op de hoogte van het
benadelingsbedrag.
Onverminderd artikel 2 derde lid van deze
verordening, wordt de maatregel op de volgende
wijze
vastgesteld:
bij een benadelingsbedrag tot € 1000,- : een bedrag
gelijk aan 10% van de netto grondslag
gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-:
een bedrag gelijk aan 20% van de
netto grondslag gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
een bedrag gelijk aan 40% van de
netto grondslag gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 4000,- tot het
bedrag van de aangiftegrens van de Richtlijn
voor strafvordering sociale zekerheidsfraude: een
bedrag gelijk aan 100% van de netto
grondslag gedurende één maand.
De hoogte van het maatregelbedrag van lid 2 sub a is
maximaal het benadelingsbedrag.
Van een maatregel wordt afgezien:
zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
aanvang heeft genomen;
zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
belanghebbende heeft getroffen.
Artikel 13 - Het niet verstrekken of het verstrekken van
onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de
uitkering.
Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 13
IOAW
of IOAZ, niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
bedrag verlenen van uitkering,
bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2 derde
lid van deze verordening, een bedrag gelijk aan tien
procent van de netto grondslag gedurende een maand.
In afwijking van het eerste lid kan het college,
indien het niet of niet behoorlijk nakomen van
de
inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot het
ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
van uitkering, afzien van het opleggen van een
maatregel en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting heeft
plaatsgevonden binnen een periode van twee jaar te
rekenen vanaf de datum waarop eerder aan
de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is
gegeven.
HOOFDSTUK 4: ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN
Artikel 14 - Vormen van agressie
Indien belanghebbende zich tegenover het college of
zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt als
bedoeld in artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20
eerste lid IOAZ, wordt een maatregel opgelegd.
Bij zeer ernstige misdragingen kan onderscheid
gemaakt worden in:
Het toebrengen van letsel aan personen en / of
schade aan goederen of een poging daartoe
middels fysiek geweld in de vorm van duwen,
trekken, schoppen, slaan, gooien met voorwerpen,
spugen.
Het bedreigen van een medewerker met fysiek geweld,
waaronder begrepen het hiertoe aanstalten
maken.
Het uitschelden van een medewerker.
Artikel 15 - Hoogte en duur van de maatregel bij zeer
ernstige misdragingen
De hoogte van de maatregel bij art. 14, tweede lid,
onderdeel a bedraagt een bedrag gelijk aan 100 % van
de netto grondslag gedurende één maand.
De hoogte van de maatregel bij art. 14, tweede lid,
onderdeel b bedraagt een bedrag gelijk aan
50 % van de netto grondslag gedurende één
maand.
De hoogte van de maatregel bij art. 14, tweede lid,
onderdeel c bedraagt een bedrag gelijk aan
20 % van de netto grondslag gedurende één
maand.
HOOFDSTUK 2:
Artikel 10
- De hoogte en duur van de maatregel bij een eerste verwijtbare gedraging
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ