Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.2.

Persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening WMO

1.. Een persoonsgebonden budget kan slechts worden verleend indien: de aanvrager zich, als op grond van deze verordening eerder een persoonsgebonden budget is verstrekt, gehouden heeft aan de bij de verstrekking van dat persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen; er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de aanvrager niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget. 2.. De budgethouder van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden voor 4 uur per week of hoger, legt aan het college verantwoording af omtrent de besteding van het persoonsgebonden budget conform de regels die genoemd worden in het Besluit Wmo. 3.. De budgethouder van het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een rolstoelvoorziening overlegt, ter verantwoording omtrent de besteding van het persoonsgebonden budget, de nota van aankoop. 4.. De budgethouder deelt het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget. 5.. De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld. 6.. Het college gaat na of het verstrekte persoonsgebonden budget is besteed aan het doel waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken, zoals genoemd in het Besluit Wmo te verstrekken. 7.. De wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en de wijze van uitbetaling en verantwoording is door het college vastgelegd in het Besluit Wmo.

Rechtspraak bij dit artikel