Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 3.

Artikel 4.7

Weigeringsgronden

Onderdeel van Verordening WMO

De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan elektrische deuropeners, hellingbanen van de openbare weg naar de toegang van het gebouw en extra trapleuningen. deze betrekking heeft op het aanpassen van hobby- en recreatieruimten, tenzij uitsluitend via deze ruimte(n) de woning bereikt kan worden. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen; verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet bestemd is om het gehele jaar door bewoond te worden; verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde woning. de beperkingen niet in de woning zelf, waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen, worden ondervonden. de kosten van de voorziening gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 45.378,=, tenzij weigering van de voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Rechtspraak bij dit artikel