Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet, zijn de
volgende voorwaarden van toepassing:
een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van
individuele voorzieningen;
de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de
betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in
natura, indien nodig aangevuld met een persoonsgebonden budget voor
instandhoudingskosten, zoals vastgelegd in het Besluit;
de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt door
het college vastgelegd in het Besluit;
Een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget kan, zodra
deze voorziening niet meer gebruikt, op verzoek van de persoon met
beperkingen of aanvrager worden opgehaald door het college.
De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang en de
looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.
Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin aangegeven is
aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening
dient te voldoen.
Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget ter
beschikking gesteld door storting op de rekening van de aanvrager of door de
aanvrager gemachtigde derde.
Indien het om hulp bij het huishouden gaat, wordt het persoonsgebonden budget
ter beschikking gesteld na overleggen van een ondertekende overeenkomst tussen
aanvrager en zorgverlener.
Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget verstrekt
is, dan wel na afloop van de periode waarop het persoonsgebonden budget van
toepassing is, kan het college aan de budgethouder om de volgende, voor zover
van toepassing, gegevens verzoeken:
de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;
een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening;
een overzicht van de salarisadministratie;
volgens de voorschriften zoals door het college in het Besluit opgenomen.
Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden behoudt het college
het recht om al dan niet over te gaan tot terugvordering of verrekening.
Het college mag een pgb weigeren wanneer er sprake is van een financiele
situatie waardoor de aanvrager niet over het pgb kan beschikken. Bijvoorbeeld
bij schulden, beslag op tegoeden en dergelijke.
Bij twijfel of de aanvrager het pgb kan beheren, mag het college het pgb
weigeren en in plaats daarvan een natura voorziening verstrekken.
Afdeling I › Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4
Persoonsgebonden budget.
Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011