Lid 1
Iemand die een vergadering van een openbare commissie als toehoorder bijwoont heeft het recht over raadsvoorstellen en andere ter bespreking geagendeerde onderwerpen het woord te voeren.
Lid 2
Het woord kan niet gevoerd worden over:
Benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen.
Een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend.
Lid 3
Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste twee werkdagen vóór de aanvang van de vergadering aan de commissiegriffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren.
Lid 4
De voorzitter stelt degene die het woord over een agendapunt wenst te voeren daartoe onmiddellijk voor de behandeling van het betreffende punt in de gelegenheid. Wanneer er meer dan één inspreker is doet de voorzitter dit op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering.
Lid 5
Elke spreker krijgt in de eerste termijn maximaal 3 minuten het woord. Na de beraadslaging door de commissie in de eerste termijn krijgt de inspreker kort de gelegenheid op vragen en/of mededelingen van de commissie te reageren. Hiervoor wordt per persoon maximaal 1 minuut beschikbaar gesteld. De voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.
Lid 6
Een inspreker voert niet meer dan tweemaal het woord over dezelfde zaak, tenzij de voorzitter anders beslist.
Lid 7
De spreker voert alleen het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend.
Lid 8
Bij niet-nakoming van de spreekregels ontneemt de voorzitter de inspreker het woord.
Lid 9
De voorzitter is bevoegd van het bepaalde in de leden 5 en 6 af te wijken wanneer dit in het belang is van het goede verloop van de vergadering.
Lid 10
De voorzitter of een lid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de inspreker.