In dit artikel worden de gedragingen benoemd (in vier categorieën) die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
Hierbij is de ernst van gedraging het onderscheiden criterium. Een gedraging wordt ernstiger naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.
De gedragingen worden onderscheiden in vier categorieën maar dat wil niet zeggen dat ze van toepassing zijn op alle vier wetten. Waar dat nodig is, staat bij de betreffende gedraging aangegeven op welke wet(ten) deze niet van toepassing is.
In artikel 45 van de WIJ zijn specifieke regels opgenomen, waaraan de jongere verplicht is zich te houden, wil hij niet te maken krijgen met een (tijdelijke) verlaging van zijn inkomensvoorziening, te weten:
meewerken aan een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
geen onredelijke eisen te stellen in verband met de door hem te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
mee te werken aan het behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;
mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling;
opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten;
op advies van een arts zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
De verplichtingen als genoemd onder a tot en met f zijn terug te vinden in de tweede en derde categorie van deze verordening.
Met nadruk dient vermeldt te worden dat in de WIJ, naast het tijdelijk verlagen van de inkomensvoorziening, een aantal bepalingen zijn opgenomen om het werkleeraanbod te herzien of in te trekken (artikel 21), de jongere uit te sluiten van een werkleeraanbod (artikel 22), dan wel de jongere geen recht heeft op de inkomensvoorziening (artikel 42). Er bestaat onder andere geen recht op de inkomensvoorziening als de jongere het werkleeraanbod heeft geweigerd of als het werkleeraanbod is ingetrokken dan wel uit de gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij de opgelegde verplichtingen (artikel 44 en 45) niet wil nakomen.
De gedragingen benoemd in de vierde categorie zijn eveneens niet van toepassing op de IOAW en IOAZ. Dit omdat in artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, aan het college de bevoegdheid is gegeven de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren tot de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven. Deze wettelijke bevoegdheid van het college is verder uitgewerkt in artikel 11 van deze verordening.