1 De verordening kan worden aangehaald als Verordening procedure overleg huisvesting
onderwijs gemeente Enschede.
2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 18 november 1996
De Secretaris, De Voorzitter,
M.Bruinsma J.H.H. Mans
1.2 Algemene toelichting
1.2.1 Inleiding
Ingevolge de WBO, ISOVSO en WVO dient de gemeenteraad ter uitvoering van de aan de raad bij
wet opgedragen zorgplicht voor een adequate huisvesting van de scholen op het grondgebied van de
gemeente een verordening vast te stellen. Deze ‘Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs’
dient onder andere criteria te bevatten voor de beoordeling van bij de gemeente door schoolbesturen
ingediende aanvragen om voorzieningen in de huisvesting.
De genoemde onderwijswetten schrijven voor dat de gemeenteraad de verordening voor de
onderwijshuisvesting, dan wel een wijziging daarvan, niet vaststelt dan nadat daarover op
overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de schoolbesturen van de niet door de gemeente in
stand gehouden scholen. Deze schoolbesturen wijzen voor een dergelijk overleg vertegenwoordigers
aan.
De gemeenteraad dient een procedure voor dit op overeenstemming gericht overleg vast te stellen
(artikel 76, vijfde lid WBO; artikel 84, vijfde lid ISOVSO en artikel 76m, vijfde lid WVO).
De wettelijke opdracht aan de raad om een procedure voor het overleg vast te stellen komt de facto
neer op het vaststellen van een algemeen verbindende regeling, die een werking heeft naar de direct
belanghebbende partijen, in casu de schoolbesturen en de gemeente. Deze laatste in de
hoedanigheid van bestuursorgaan en vaak ook in de hoedanigheid van schoolbestuur van het
openbaar onderwijs. De wettelijke opdracht betekent dus dat de gemeente de procedure bij
gemeentelijke regeling (verordening) dient te regelen.
Indien hiervan zou worden afgezien dan kan worden gesteld dat aan de vaststelling van de
gemeentelijke verordening voor de onderwijshuisvesting en eventuele wijzigingen daarvan, een
vormfout kleeft. Een vormfout die ook een doorwerking zou kunnen hebben naar de concrete
beslissingen die de gemeenteraad in de toekomst neemt op basis van deze verordening. Indien dit
naar voren wordt gebracht in eventuele beroepsprocedures tegen genoemde beslissingen dan lopen
de gemeentelijke beslissingen gerede kans om te worden vernietigd.
Uit oogpunt van het beperken van niet strikt noodzakelijke regelgeving, behoeft de uitwerking van de
wettelijke opdracht om een overlegprocedure vast te stellen niet te leiden tot een verordening waarin
alles minutieus is vastgelegd. Het verdient aanbeveling om in de verordening het hoogst
noodzakelijke te regelen ter waarborging van een goede procedurele gang van zaken van het
overleg. Dit om op lokaal niveau ook de nodige flexibiliteit in het overleg tussen betrokken partijen in
te bouwen. Dit ook indachtig het uitgangspunt dat het overleg over de onderwijshuisvesting, evenals
de andere aspecten van het lokaal onderwijsbeleid, gekenmerkt wordt door een gelijkwaardigheid
van de overlegpartners. De gekozen terminologie van ‘op overeenstemming gericht overleg’ is
daarvan een direct uitvloeisel. Dit veronderstelt immers dat de overlegpartners hun uiterste best
moeten doen om tot overeenstemming te komen.
6
1.2.2 Geen nadere regeling voor stemverhoudingen
In de modelverordening is ervan afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen in het overleg.
Het betreft een op overeenstemming gericht overleg over (voorgenomen) gemeentelijke
besluitvorming. Indien in het bestuurlijk overleg volledige overeenstemming wordt bereikt dan zal de
raad (met inachtneming van de in artikel 8 van het model opgenomen procedure) alleen goed
gemotiveerd van dit standpunt kunnen afwijken. Mocht er geen of geen volledige overeenstemming in
het overleg zijn bereikt over de inhoud van de verordening onderwijshuisvesting, dan wordt in de
verslaglegging van het overleg aangegeven hoe de meningsvorming in het overleg is verlopen en
welke schoolbesturen bezwaren hebben aangetekend dan wel een afwijkende zienswijze huldigen.
Naast de inhoudelijke argumentatie van deze bezwaren is het daarbij ook relevant voor de raad om te
beschikken over informatie aangaande het draagvlak binnen het onderwijs voor dergelijke bezwaren.
Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van het aantal scholen/leerlingen dat wordt
gerepresenteerd door de vertegenwoordiger(s) die een afwijkend standpunt innemen. Deze beide
aspecten, de kracht van de argumenten en het draagvlak dat daarvoor bestaat binnen het
onderwijsveld, zal de raad in onderlinge samenhang dienen te betrekken bij zijn uiteindelijke
besluitvorming over de verordening onderwijshuisvesting
1.2.3 Relatie tot eventuele gemeentelijke Algemene Inspraakverordening
Er is nagegaan of in de wettelijke opdracht tot het vaststellen van een procedure voor het op
overeenstemming gerichte overleg over de verordening onderwijshuisvesting, niet kan worden
voorzien door de inhoud van de eventueel bestaande gemeentelijke Algemene Inspraakverordening
op dit overleg van toepassing te verklaren. Dit is in de regel niet mogelijk, dan wel niet wenselijk.
Allereerst komt het nog wel eens voor dat een inspraakverordening vormen van inspraak ten aanzien
van verordeningen – en dus ook een verordening voor de onderwijshuisvesting – uitsluit. Daarnaast
gaat de in de wet opgenomen formulering ‘van op overeenstemming gericht overleg’ verder dan
hetgeen in de regel onder inspraak wordt verstaan.
Tot slot is de kring van belanghebbenden in het kader van een Algemene Inspraakverordening
aanmerkelijk groter dan de partijen waarmee in het kader van de verordening onderwijshuisvesting
wordt gesproken. De inspraak, en dus het overleg, zou moeten worden uitgebreid tot alle
belanghebbenden bij de onderwijshuisvesting. Behalve aan schoolbesturen moet dan met name
gedacht worden aan de dagelijkse gebruikers van schoolgebouwen: het onderwijspersoneel en de
leerlingen. Dit is alleen al uit praktisch oogpunt een ongewenste ontwikkeling.
1.2.4 Relatie met overleg t.a.v. andere aspecten van het lokaal onderwijsbeleid
In het kader van de verdere voornemens van het kabinet omtrent de versterking van de
verantwoordelijkheid op lokaal niveau van het onderwijsbeleid, is ook op andere onderdelen
regelgeving in voorbereiding (zoals het onderwijsachterstandsbeleid en de onderwijsbegeleiding). In
de diverse wetsvoorstellen is een plaats ingeruimd voor vormen van doorgaans op overeenstemming
gericht overleg tussen de lokale overheid en de vertegenwoordigers van het lokale onderwijsveld. In
geen van deze wetsvoorstellen is echter zoals bij de onderwijshuisvesting het geval is, expliciet de
verplichting opgenomen dat de gemeenteraad een procedure hiervoor dient vast te stellen.
Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat de regelgeving rond het lokaal onderwijsbeleid en de
positionering van het instrument van het overleg daarin, doorgaans aanleiding zal zijn voor de
gemeente en het onderwijsveld om zich te beraden op de wijze waarop dit overleg gevoerd moet
worden. Dit zal leiden tot de inrichting van een lokale overlegstructuur dan wel een aanpassing van
de bestaande overlegstructuur. In dit verband kan nadrukkelijk worden bezien in hoeverre de
verordening procedure overleg huisvesting onderwijs daarbij kan worden betrokken.
7
1.2.5 Relatie met overleg over vaststelling programma huisvestingsvoorzieningen onderwijs
De wettelijke bepalingen over de onderwijshuisvesting schrijven voor dat de raad overleg moet
voeren met alle schoolbesturen, alvorens over te gaan tot vaststelling van een programma van
huisvestingsvoorzieningen die voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komen (zie
bijvoorbeeld artikel 69 WBO). De procedurele bepalingen over dit overleg zijn opgenomen in de VNG
modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs (zie artikel 10 van deze modelverordening).
Het ligt voor de hand dit overleg te voeren in het kader van het bestuurlijk overleg zoals dat in de
onderhavige modelverordening wordt voorgesteld.
1.3 Artikelsgewijze toelichting
Considerans
Hoewel de wet hiertoe niet verplicht, is het vanzelfsprekend dat voorafgaande aan de vaststelling van
de verordening overleg plaats vindt met de (vertegenwoordigers van) de schoolbesturen. Dit ‘overleg
over de overlegprocedure’ is uiteraard niet gebonden aan de procedureregels uit de verordening.
Centraal hierbij staat echter wel dat de gemeente de betrokken besturen voldoende gelegenheid
biedt om hun inhoudelijk oordeel hierover te geven en vervolgens dit oordeel zwaar te laten wegen bij
de uiteindelijke vaststelling van de verordening. Dit vanuit de overweging dat een niet door alle
betrokken partijen onderschreven overlegprocedure in het latere inhoudelijke overleg dat op basis
van deze procedure wordt gevoerd, contra productief kan werken.
De term schoolbesturen omvat ook het bestuur van het openbaar onderwijs.
De wijze waarop dit bestuur vertegenwoordigd wordt in het overleg is afhankelijk van de
bestuursvorm (zie verder toelichting op artikel 1 en 5).
Artikel 10
Citeertitel; inwerkingtreding
Onderdeel van Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs