Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 20

Orde van vergaderingen

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2008

1.. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord tenzij: §. de voorzitter het nodig oordeelt spreker aan het opvolgen van deze verordening te herinneren of aan overige gemaakte afspraken; §. een lid de spreker interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog afrondt. 2.. Indien een spreker zich beledigend of onbetamelijk uitdrukt, afwijkt van het onderwerp dat in behandeling is, of een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. De voorzitter kan spreker, als hij hieraan geen gevolg geeft, hem gedurende de vergadering over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. 3.. De voorzitter kan ter handhaving van de orde van de vergadering voor een door hem te bepalen tijd de vergadering schorsen en indien noodzakelijk daarna sluiten. 4.. De voorzitter kan de commissie voorstellen een lid dat de geregelde gang van zaken verstoort of belemmert het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. De commissie stemt zonder beraadslaging over dit voorstel. Na aanneming ervan verlaat het lid meteen de vergadering.

Rechtspraak bij dit artikel