De zittingsduur van een lid en van de voorzitter eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad.
Een lid houdt op lid te zijn van een commissie indien hij niet meer voldoet aan de eisen vermeld in de artikelen genoemd in het derde lid van artikel 5.
De raad kan een lid ontslaan, op voorstel van de fractie op wiens voordracht het lid is benoemd. De raad kan tevens de voorzitter van een commissie, op diens eigen verzoek of op verzoek van een meerderheid van de raad, ontslaan.
Een lid en de voorzitter kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd.
In een vacature wordt zo spoedig mogelijk voorzien met in achtneming van het gestelde in artikel 5.
Indien een fractie op grond van het vijfde lid van artikel 5 geen plaatsvervangend lid heeft benoemd voor een commissielid en dit lid verhinderd is een commissievergadering bij te wonen, kan hij zich laten vervangen door een ander raadslid of duoraadslid van zijn fractie. Een vervanging wordt voorafgaand aan de commissievergadering gemeld aan de commissiegriffier.
Degene, die als vervanger optreedt, wordt in de betreffende vergadering geacht lid van de commissie te zijn.
Indien een lid bij verhindering geen gebruik maakt van de mogelijkheid tot vervanging, kan hij voor of bij de aanvang van de vergadering aan de voorzitter zijn schriftelijke opmerkingen overhandigen, welke bij de behandeling betrokken zullen worden.
Bij langdurige ziekte of verhindering van een lid kan de raad in de vervanging op de wijze als bedoeld in het zesde lid voorzien.
Hoofdstuk 2:
Artikel 6
Zittingsduur en vacatures
Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2008