De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
aanwezig was;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
tenzij voor de verhuizing dan wel de acceptatie van de nieuwe
woning van tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het
college;
behoudens het gestelde in artikel 4.4, deze betrekking heeft op
voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan:
het aanbrengen van automatische deuropeners,
het aanleggen van een hellingbaan van de openbare weg
naar de toegang van het gebouw waarvan de woonruimte van
de ondersteuningsbehoevende deel uitmaakt en voorts
onder voorwaarde dat de woningen in het woongebouw te
bereiken zijn met een rolstoel,
het aanbrengen van een extra trapleuning,
het verbreden van toegangsdeuren,
drempelhulpen of vlonders,
een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur
van het woongebouw.
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis
van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
deze voorziening noodzakelijk zou zijn en daarmee geen sprake is
van een onverwacht intredende noodzaak;
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen uitsluitend
voor zover de aanvraag een voorziening als bedoeld in artikel
4.2 lid 1 onder a. betreft, verhuisd is vanuit of naar een
woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de
verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van
de woning zijn ondervonden;
reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de
aanvraag betrekking heeft voordat hiertoe een beschikking is
afgegeven, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is
verleend door het college;
de door het college aangewezen personen toegang wordt geweigerd
tot de woonruimte waar de woonvoorziening is, of wordt
gerealiseerd, dan wel zal worden gerealiseerd. Aan de in dit lid
genoemde personen dient tevens inzage te worden geboden in
bescheiden en tekeningen welke betrekking hebben op de
woonvoorziening en hun wordt de gelegenheid geboden tot het
controleren van de woonvoorziening;
de kosten van de voorziening gelijk zijn aan of meer bedragen
dan het maximumbedrag dat opgenomen is in het Besluit nadere
regels.
de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
materialen.
Artikel 4.6
Aanvullende begrenzing recht op woonvoorzieningen
Onderdeel van Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eijsden-Margraten 2011