Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.
Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:
een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht.
Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het College nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.
Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning voorwaarden verbinden in het belang van de monumentenzorg.
De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.
Indien de vergunning een archeologisch monument betreft, kunnen daaraan in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen; of
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de in de Monumentenwet gestelde voorwaarden.
Op terreinen van archeologische waarde geldt een aanlegvergunningplicht conformhet bepaalde in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 2: › Paragraaf 2:
Artikel 9
Verbodsbepalingen en vergunning
Onderdeel van Monumentenverordening 2008