Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2: › Paragraaf 1:

Artikel 3

De aanwijzing tot gemeentelijke monument

Onderdeel van Monumentenverordening 2008

1.. Burgemeester en wethouders kunnen, al doen niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerend monument als bedoel onder 1a en b aanwijzen als gemeentelijk monument. 2.. Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit nemen, vragen zij advies aan de Monumentenselectiecommissie. Indien de aanwijzing een gemeentelijk archeologisch monument betreft dan betrekt de Monumentenselectiecommissie een extern deskundig senior archeoloog bij haar advies. Burgemeester en wethouders geven op voorhand aan welke senior archeologen hiervoor in aanmerking komen. 3.. In spoedeisende gevallen kunnen burgemeester en wethouders zonder advies van de Monumentenselectiecommissie een onroerende zaak aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. Terstond na de voorlopige aanwijzing vragen burgemeester en wethouders advies aan de Monumentenselectiecommissie. 4.. De voorlopige aanwijzing vervalt na vierentwintig weken of zoveel eerder wanneer Burgemeester en Wethouders een definitief besluit nemen over de aanwijzing. De artikelen 9 tot en met 14 zijn van toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van burgemeester en wethouders tot voorlopige aanwijzing van de onroerende zaak als gemeentelijk monument. 5.. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing van een onroerend monument als beschermd gemeentelijk monument als bedoeld onder 1a en b bepalen dat een nader waardestellend onderzoek wordt verricht. 6.. Voordat burgemeester en wethouders een kerkelijk monument als gemeentelijk monument aanwijzen, voeren zij overleg met de eigenaar. 7.. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

Rechtspraak bij dit artikel