De opsporing van de in artikel 23 strafbaar gestelde feiten is, naast de
in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en
wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn
belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn
vermeld.