Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te
beschadigen of te vernielen.
Het is verboden zonder vergunning van bevoegd gezag of in
strijd met bij zodanige vergunning gestelde
voorschriften:
een gemeentelijk monument af te breken, te
verstoren, te verplaatsen of te wijzigen;
een gemeentelijk monument te herstellen, te
gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige
wijze, dat het wordt aangetast, ontsierd of in
gevaar gebracht.
Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
lid, gelden niet indien:
a. het bevoegd gezag nadere regels stelt met betrekking tot
de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd
of;
b. de activiteit betrekking heeft op gewoon onderhoud, voor
zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort,
kleur en aanleg (in geval van een tuin, park of andere
aanleg) niet wijzigt of;
c. de activiteit uitsluitend leidt tot inpandige
veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het
oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.
d. voor onder 3b en 3c genoemde activiteiten geldt wel een
meldingsplicht, waarbij de eigenaar de gemeente de te
verrichten activiteiten meldt.
Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorwaarden
verbinden in het belang van de monumentenzorg.
Indien de vergunning een archeologisch monument betreft,
kunnen daaraan in ieder geval de volgende voorwaarden worden
verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische
maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen
worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
of
de verplichting de activiteit die tot
bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een
deskundige op het terrein van de archeologische
monumentenzorg die voldoet aan de in de
Monumentenwet gestelde voorwaarden.
Op terreinen van archeologische waarde geldt een
vergunningplicht conform het bepaalde in het
bestemmingsplan.
Hoofdstuk 2: › Paragraaf 2:
Artikel 9
Verbodsbepalingen en vergunning
Onderdeel van Monumentenverordening 2008