Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2: › Paragraaf 2:

Artikel 9

Verbodsbepalingen en vergunning

Onderdeel van Monumentenverordening 2008

Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. Het is verboden zonder vergunning van bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt aangetast, ontsierd of in gevaar gebracht. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien: a. het bevoegd gezag nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd of; b. de activiteit betrekking heeft op gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort, kleur en aanleg (in geval van een tuin, park of andere aanleg) niet wijzigt of; c. de activiteit uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. d. voor onder 3b en 3c genoemde activiteiten geldt wel een meldingsplicht, waarbij de eigenaar de gemeente de te verrichten activiteiten meldt. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorwaarden verbinden in het belang van de monumentenzorg. Indien de vergunning een archeologisch monument betreft, kunnen daaraan in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; of de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan de in de Monumentenwet gestelde voorwaarden. Op terreinen van archeologische waarde geldt een vergunningplicht conform het bepaalde in het bestemmingsplan.

Rechtspraak bij dit artikel