Onverminderd de eisen die op grond van artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming aan het saneringsplan worden gesteld, dienen in het saneringsplan de volgende gegevens te worden vermeld:
algemene gegevens:
het adres, de kadastrale aanduiding (inclusief jaartal) en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt;
een kadastrale kaart (inclusief jaartal en noordpijl), waarop het geval van verontreiniging is aangegeven, die ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het Kadaster is afgegeven;
een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, die ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven;
de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, zoals bedoeld in lid 1 onder a.1 van dit artikel, alsmede van de gebruiker daarvan;
de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden;
het huidig en eventueel toekomstig gebruik van de locatie;
een beschrijving van de bodemkundige opbouw en geohydrologische situatie;
een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding plaatsvindt;
een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn;
een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en instemmingen om het werk te kunnen uitvoeren;
de wijze waarop belanghebbenden bij de uitvoering van de sanering zullen worden betrokken.
indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te onttrekken hoeveelheid grondwater;
de grootte van het totale oppervlak waarbij de interventiewaarde voor grond wordt overschreden;
de grootte van het totale volume waarbij de interventiewaarde voor grond en/of grondwater wordt overschreden;
een ontgravingskaart en een grondwateronttrekkingskaart;
een tijdschema met een eventuele fasering, waarbij in ieder geval zijn aangegeven de datum waarop met de sanering zal worden begonnen, en de datum waarop de sanering naar verwachting zal zijn afgerond;
indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd: de voorgenomen fasering, alsmede het verzoek om een besluit als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming;
indien slechts een deel van de verontreiniging wordt verplaatst: het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming;
de te nemen maatregelen:
een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken, daaronder begrepen een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving;
gegevens over de hoeveelheid, kwaliteit en herkomst van de eventueel te gebruiken aanvulgrond;
indien van toepassing een beschrijving van de wijze waarop de verschillende categorieën vrijkomende grond in depot worden gezet, inclusief een tekening waarop de plaats van het depot/de depots staat aangegeven evenals de beschermende voorzieningen;
gegevens over de bestemming van de overige verontreinigende stoffen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sanering;
onverminderd het bepaalde in artikel 39 lid 1 sub h van de Wet bodembescherming: een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd aan Burgemeester en Wethouders.
Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid van dit artikel achterwege blijven indien:
bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken;
daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en
die gegevens naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan.