Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van havengelden 2013

1.. Indien een vaartuig wordt vervangen door een nieuw of gelijksoortig vaartuig, wordt het voor het vervangen vaartuig over de nog niet verstreken maanden van de lopende termijn betaalde havengeld op aanvraag van de belastingplichtige verrekend met het verschuldigde havengeld over die maanden voor het vervangende vaartuig, met dien verstande dat, indien het laatstgenoemde havengeld lager is dan het betaalde, teruggaaf van het verschil niet plaatsvindt. 2.. Het na toepassing van de in het vorige lid bedoelde verrekening verschuldigde bedrag moet binnen een maand na de vervanging overeenkomstig de aangifte worden betaald. 3.. Ingeval een ander dan degene van wie voor een bepaald tijdvak met betrekking tot een vaartuig havengeld is geheven, belastingplichtig is ter zake van hetzelfde vaartuig voor hetzelfde tijdvak, wordt, behoudens ingeval het eerste lid toepassing vindt, voor dat tijdvak het havengeld niet geheven van de ander. 4.. Indien de belastingplicht bij toepassing van het jaartarief voor een vaste ligplaats in de loop van het belastingtijdvak aanvangt, is het havengeld verschuldigd naar evenredigheid van het aantal kwartalen dat na het tijdstip van aanvang van de belastingplicht in dat jaar overblijft, het kwartaal van aanvang van de belastingplicht daaronder begrepen. 5.. Indien de belastingplicht bij toepassing van het jaartarief voor een vaste ligplaats in de loop van het belastingtijdvak eindigt, wordt op verzoek ontheffing verleend naar evenredigheid van het aantal volle kwartalen dat na de beëindiging van de belastingplicht in het jaar overblijft. 6.. Bij toepassing van het tarief per keer, retour, dag, week, maand, kwartaal, halfjaar en voor het tijdvak oktober tot en met maart wordt geen ontheffing verleend.

Rechtspraak bij dit artikel