Op basis van de Regionale Woonvisie op Hoofdlijnen Parkstad Limburg 2006 – 2010 (vastgesteld op 11 december 2006 door de Parkstad Raad) wordt gestuurd op de regionale ambities ten aanzien van kwaliteit in een (krimpende) woningmarkt. Enerzijds vindt deze sturing plaats middels het document ‘Kwaliteitsturingsprincipes: Van Zeef naar Zwengel’. Anderzijds biedt het ‘Intrekkingsbeleid bouwvergunningen’ ondersteuning bij sturing op de woningmarkt in Parkstad Limburg.
Bij de vaststelling van de Regionale Woonvisie in 2006 kon nog geen regionaal gedragen woningbouwprogramma worden vastgesteld aangezien er een overmaat aan plannen in Parkstad Limburg (meer dan 10.000 woningen) aanwezig was. Op grond van de Provinciale Woonvisie (vastgesteld in december 2005) diende dit aantal terug gebracht te worden tot een netto toevoeging van 2.000 woningen. Deze 'beperkte bouwopgave' was onder andere een gevolg van een voorziene structurele terugloop van de bevolking, de vergrijzing en de ontgroening (krimpregio).
Om tot de vaststelling van de woningbouwprogrammering te kunnen komen hebben de verschillende partijen binnen Parkstad (gemeenten, corporaties en marktpartijen) een instrumentarium ontwikkeld om het aantal te bouwen woningen c.q. het aantal bouwplannen terug te dringen. Hiervoor zijn in eerste instantie de ordeningscriteria’s uit de Regionale Woonvisie uitgewerkt in selectiecriteria om te selecteren in een overmaatsituatie (ook wel de 'zeef' genoemd). Bij de vaststelling van het Regionale Woningbouwprogrammering 2006 - 2010 zijn deze selectiecriteria uiteindelijk niet toegepast aangezien er sprake was van een aanbodprogrammering (selectie op basis van hardheid). Dit heeft er toe geleid dat op 26 september 2007 alsnog een Regionale Woningprogrammering is vastgesteld. Hiermee staat vast welke plannen de komende jaren (2006 - 2010) ontwikkeld en gebouwd kunnen worden.
De eerder vermelde selectiecriteria worden nu ingezet als kwaliteitsturingsprincipes (document Van Zeef naar Zwengel). Dit met als doel om te sturen op kwaliteit bij plannen die zijn opgenomen in de programmering en vertraging ondervinden of een kwaliteitsimpuls behoeven of om op kwaliteit te sturen bij nieuwe initiatieven.
Naast het toepassen van de kwaliteitssturingsprincipes is het ook noodzakelijk om bouwvergunningen te kunnen intrekken. Gebleken is dat bij een groot aantal gemeenten niet of nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het intrekken van bouwvergunningen. Het niet intrekken van bouwvergunningen waarvan niet (tijdig) gebruik is gemaakt leidt niet tot het schenden van een wettelijke regeling. Het is namelijk geen wettelijke verplichting maar een discretionaire bevoegdheid. Met name die projecten waar de bouwwerkzaamheden na jaren nog niet zijn begonnen vragen om een gerichte aanpak. In dergelijke gevallen is er mogelijk sprake van een verkeerde locatie, een verkeerd woningtype of prijsklasse waarin gebouwd wordt. Vasthouden aan dit soort plannen past niet in de Regionale Woonvisie (die uitgaat van kwaliteitsverbetering). Vandaar ook dat partijen in gezamenlijkheid hebben uitgesproken dat een uniform intrekkingsbeleid in de voorkomende gevallen noodzakelijk is.
Hoofdstuk 2 zal ingaan op de doelstelling en reikwijdte van dit beleidsdocument. In hoofdstuk 3 wordt ingezoomd op de noodzaak om over te gaan tot intrekken. Hoofdstuk 4 schets het wettelijk kader. Hoofdstuk 5 is de te volgen werkwijze en procedure beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 aandacht besteed aan de rechtbeschermingsmogelijkheden na intrekking van een bouwvergunning.